Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoog overwelfd door wenkbrauwbogen, zagen onbewogen naar Warhold, die zijn hulde bracht.

Achteloos nam ze zijn begroetingsofferande aan, en terwijl ze ten antwoord gaf, dat zij, vrouwe van Nijebeeck, een gast des bisschops was, liet ze haar hoofd tegen den wand aanleunen.

Haar lange haren, waarover een zijden sluier van af den 'diadeem neer vluchtigde, vezelden uit elkaar tegen een groen wandtapijt, zoodat haar hoofd, evenals dat eener watervrouw in den als met kroostegroen besmetten harentooi gebet lag.

Van uit haar loome houding sprak zij tot Warhold, die in bescheidenheid tot zwijgen was gekomen': „Heer schout, ik hoop, dat geluk u tot den bisschop brengt," waarop hij in een vreugdemoed zijn blikken naar den wand verhief en in een medewerkzaamheid van heel zijn lijf de woorden uitte: „Ja, Gode en allen Heiligen dank, een vreugdezalige hoop brengt mij hierhenen en al was het niet alzoo, het toeval dat ik uw stem als kleine klokgespelen in mijn oor muzijken hoorde, dat ik die rijke vreugde van uw bijzijn vond, zou mij een zeker teeken voor verder voorspoed wezen."

De edelvrouw, die zijn blikken eerst zediglijk ter aarde nijgen en dan bij de ridderlijke toespraak over haar henen dwalen zag, als was hij sprekend tot een ander wezen, noopte haar tot lachen, de tanden breed uit glinsterend in den rooden mond, over zijn minnestreelen woorden en zijn daarbij nederige zedigheid.

Sluiten