Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woede schreeuwde hij, dat de bisschop wel eischen boven elkaar kon metselen tot een tiranny van cijnsen en kerketienden, dat hij hem wel het vel van zijn lijf kon pellen, of zijn dochters afdwingen, om daarmee zijn slaapkamers te sieren, maar dat hij ook eischen van den graaf van Gelre te beantwoorden had en dat hij liever dezen gehoorzaamde, want hij zond geen heimelijke boden, om hem te dwingen.

Toen hij uit zijn woede gekomen de pijlpuntige blikken des aartsdiaken ontmoette, geraakte hij in een bedremmeling.

Maar de geestelijke gaarde een keuze van zachtzinnige woorden bijeen, waarmee hij hem vaderlijk bestrafte en dan prees voor zijn goedheid, welke, weliswaar bemost met zorgeloosheid en landsgebruikelij ke ruwheid, ten slotte toch haar goudgeglinster bloot gaf.

En Kostijn, zich te goed gedaan aan de mooie woorden, stond met een verwaaide gelaatsuitdrukking en met wateroogen zijn beverige stem te beproeven en al sprekende verliet hij zijn oproerige stelling.

Een glimlach tusschen de vleezige lippen, vroeg de aartsdiaken nog, of een hoorige, wanneer hij verzuimde op gezetten tijd van zijn hoorigheid in de zaal te getuigen, niet tot lijfeigenschap verviel? En zich zelve antwoordend, vervolgde hij, dat Kostijn eveneens zijn hulde aan den bisschop te brengen had, tenminste als graaf van Staveren,

Warhold. I. — 4

Sluiten