Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar een gerucht deed Warhold naar het hek ontvluchten en uit het stalhuis zag hij de paarden, opgetuigd met de hooge zitting der zadels, naar het voorplein stappen.

In een droeve verstrooidheid reikte hij haar de hand en het lichten harer oogen voorbijziende, verliet hij haar en ging naar het voorplein, waar de aartsdiaken en Kostijn wachtten.

fDe drie mannen stegen op en Staveren en het Staverenbosch verlatende, reden ze langs Elspete en door de Elspeter en Vierholder wouden, een verwildering van boomen, welke somtijds tegen bloote heuvels schuine stormden, de takken nog vluchtend met de vaart van den wind en daartusschen ontschorste stammen met enkele takkengeraamten tegen het blauw van den hemel. En dan reden ze langs een wand van dennen, wier slanke stammen hun kruinen in elkander groeien deden tot een wolk, die in zich zelve bewoog, een zwaarmoedig gedruisch onder schrijnend gepiep der stammen, die in de beweging meegetrokken, zich pijnlijk rekten of half ontworteld hulp behoefden tusschen het kleinere hout, welks takken aan den ziltigen bodem nippend, rossig verkleurden of besmet waren met een zilveren mosbeslagy Ze reden steil bewande dalen in, waar de bladeren zich over hen stortend, de lucht besloten en de kleur der heidestruiken verduisterden tot een gruizig zwart-engrauw, toen een man, uit de bladeren schietend, naar Kostijn toeliep. j

Sluiten