Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den droom in de Sint Salvator kerk, had gezien. En bewogen riep hij: „Jonkvrouw, wat zijt ge in uw zwaarmoedige schoonheid als een manestraal tusschen wolken verdiept?"

De vouwen van haar gewaad, die als versteend om haar lagen, bewogen zich, haar leest wiegde zorgelijk voorover en toen ze 't hoofd ophief, klokte het in haar keel, sprongen tranen uit haar oogen; en terwijl ze haar weenen in kleine slokjes uitbracht, met de bleek-zijden handen de tranen helpend, kwam er een licht gesuis, een windgerucht door de gaarde. De boomen stuifden, en ook de boom, waaronder zij zat, loosde zijn bloesems, die zachtjes om Jannes hoofd en schouders dobberden en dan vergingen in de vouwegolven van haar paarsig gewaad.

Bij haar door den bloesemregen verreinde schoonheid en het gelui harer smart voelde Warhold zich van alle banden ontheven en zacht gedreven door de zucht, zijn gevoel aan haar droefheid te paren, vroeg hij haar op heimelijken toon, waarom ze weende?

Haar gelaat in de handen, liet ze zich voorover gaan, al stamelend: „Nu eerst, na zooveel nachten hoor ik uw stem weer liefelijk gaan en daarom kan ik de klacht mijner ziel niet inne houden en pleng mijn vreugdetranen."

Om haar bleek, thans opgericht gelaat geelden de haren als herfstloof en door de zon geraakt, aureoolden ze tusschen de stammen en tegen het

Sluiten