Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bank, waarover haar bovenlijf in zachte maten wiegde onder een luid geween.

Haastig sprak hij haar toe: „God en alle Heiligen dank, dat ik u, mijn liefste, gevonden heb. Ge weent en ik beef nog van hetgeen over Staveren kwam, maar in u vind ik het licht, dat ons beiden kan verontschuldigen schrei niet meer!"

Zij richtte 't hoofd op en wendde haar gelaat, weenerig-rood in de omwuiving van goudgele haren, en de lippen gesloten, zag zij hem aan, en dan in één sprong stond ze op. Een drift spierde in haar en deed haar oogen hittig branden uit het fel-roode van haar gelaat, en haar vingers in een nijping folterend, riep zij: „Ik weet, wat die stem in de kapel over mij heeft gebracht, over mij, rampspoedige, al te spoedig vergetene. Gij zult mij verlaten, mij alleen laten tusschen deze muren, die rondom mij tot bouwvallen verminderen zullen. En ik wil het niet, ik zal het aan mijn eigen jammerwoorden besterven. Ik kan niet leven, zonder u om mij heen te zien, zonder uw bijzijn te weten. Al het andere is voor mij toevallig voorbijgaand, onze beraadslagingen, om de leenmannen te veredelen, die pelgrimsvaart naar een betere wereld, waarin wij samen zoo dikwijls verdiept waren, 't "Was maar een droom of een voorwendsel, om te minnekoozen, of een schijn, een beeld onzer liefde, waarin ik mij en u zoo gaarne weerspiegeld zag. En hiervoor heb ik alles, mijn onafhankelijkheid, mijn trots en mijn geweten van de

Sluiten