is toegevoegd aan uw favorieten.

Warhold

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar dra voelde hij zich in een verkeer van vreedzaamheid, toen hij voor zich als een tafreel van den hemel heer Bartholomeus bij een kleine olievlam over een getijboek gebogen ontwaarde.

De heilige woorden nog in den mond wendde deze zich om en Warhold aanziende, stond hij op, en onder een ophaal van het tapijtzware habijt verhieven zich zijn armen.

Warhold aangegrepen door deze rouwteekenen, zakte aan diens voeten neer en als een dier in het besef van een ongeluk, beefde hij over zijn gansche lijf, totdat de priester hem ophief en hem noodde tot zitten.

De handen aan de bank geklemd, sprak Warhold, de stemme ingehouden: „Er is een duister vol van ongedierte, dat zich tegen eiken stap verweert, dat zich aan mijn zijden gezelt met hoonend gefluister, begeerig om de ziele mee te voeren."

Maar de priester, die teruggetreden was, antwoordde verschrikt: „Groote God, waar is de duisternis niet? Mijn zoon, mijn arme in de duisternis verdoolde zoon, voor wien ik zoo menigen nacht gearbeid heb in gebeden, wat is er geschied, dat ge aan 't vluchten zijt, terwijl Staveren verslagen ligt onder den banvloek des bisschops?"

Warhold hield zich stille, 't Hoofd aan den muur, staarde hij voor zich heen, de tanden op elkaar in het gevoel van een koude vrees. En dan geroerd door de zegbare stilte van Bartholomeus, sloeg hij zich aan het hoofd en onder een drift