is toegevoegd aan uw favorieten.

Warhold

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen zich zelve riep hij: „Nu heb ik gezien, wie ik ben en hoe ik door de wereld gegaan ben, ik versletene, verongelukte, die de armen lengde aan het zonnelicht, het lijf gestoofd van geluk en de geest opjubelend van warme vreugde, een machtig leven in te gaan, oh, ik bedrogene, vergiftigd door lachelonkjes, zoetsappige woorden eener vrouw. Ik heb mijn ziel aan haar gezengd, waardoor mijn krachten verloren zijn en de duivelsche geesten, op mij aanlandend, mijn leden zullen omsnoeren en mijn lichaam werpen in brandend water, van waaruit ik geen redding zie."

Bartholomeus, oprecht in de sterke plooiing van zijn habijt, riep met een zachte stem als in het onbestemde.' „De zondaar, die zich zelve aanklaagt, is halverwege op den weg terug."

In een heete haast antwoordde "Warhold: „mijn ziel is zwervende tusschen haar, die den edelen droom van mijn leven verontreinigde en tusschen de andere, die ik eens in een wakenden droom aanschouwde; en nu komen zij beiden in ééne gedaante, overladen van zichtbaar licht mijn zinnen beroeren, zoodat mijn gedachten vluchten voor . de onreine strooming door mijn lijf. Maar vergeefs."

De priester zette zich tegenover hem neer, het zware hoofd in de hand en sprak: „Ge moet den dans ontspringen en aan heilige dingen denken."

Schielijk antwoordde Warhold, zich oprichtend: „maar heer, zij komt, zij rijst uit het duister snel