Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

De hut van den priester verlatend, kwam Warhold op de heide, waar het licht van de kimmen gevloden was en waar de heidevloer zich bruinzwart tot ontvangst van den nacht bereidde.

Verlangend zag hij op naar den groenblauwen hemel, opdat deze allen schijn aan de aarde zou dooven, en hij zelf zich vrijer bewegen kon, steeds sneller naar het doel, om den aartsdiaken te spreken.

De heide vereffende zich in een vaagzwarte vlakte, waarboven aan den hemel sterren tintelden en over een woud de maan in een zwakken luister van goudnevel hoornde.

't Was hem, alsof alles van hem wegzonk, alsof alles zich van hem verwijderde. Somtijds, als zijn voet weggleed in een kuil, dacht hij, dat de aarde verzonk en angstig de handen strekkend, werkte hij zich weer op en liep haastig verder, zoo haastig, dat hij niet denken kon aan zijn toestand.

Bij Apeldoorn trad hij duistere wouden in, waar de loovers als een reusachtig dierenvacht zich

Sluiten