is toegevoegd aan uw favorieten.

Warhold

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

droom, waarin Warhold rilde, zich wikkelend in zijn mantel.

Het opene der vlakte mijdend, liep hij schuldbewust het hoofd omlaag, en zich verdiepend in het Speulderwoud, rende hij tusschen de boomen, wier stammen, vergrijsd en vergroend in mos, geknot waren in hun slechten groei en als hulpezoekend de takken veruit torsten.

Maar de nevel stiet zich aan de takken te pletter tot druppels, die langs het mos afrilden en kwijlden aan mosbaarden, tikkend tegen Warholds gelaat, zijn gewaad doorweekend. En zijn voeten verzonken in den moerassigen grond. Sneller liep hij, soms een kreet aan de lippen en dan een zucht, om verder te komen, ergens anders dan in dit woud, dat in een verstarring scheen evenals zijn levenlooze leven, waar elk bewustzijn aan een daad verstorven bleef.

Eindelijk den grauwen hemel aan de boomtoppen ziende, kwam hij weer op de heide en zich in moeheid voortslepend, bemerkte hij, dat hij Ermelo naderde.

Hij had behoefte, om menschen te zien, om zijn stem weer aan te wenden met een ander doel, dan zich te verslijten aan ijdelen hartstocht, om zijn evenmensch goed te doen en zich daarin te weerspiegelen, om zijn gevallen trots ietwat op te heffen.

En in het dorp gekomen, ging hij rechtstreeks naar de hoeve van den schout.