Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gies en filosofieën was dat van het zelfstandig wezen, de substantie: God was het kernwezen der wereld, en de wereld zelf het geheel der modaliteiten waardoor God zich ontwikkelde. Maar bij de Semieten was het heerschend begrip meer bepaald dat der oorzaak dan dat der substantie: want voor hen was God de onafhankelijke oorzaak der wereld, een oorzaak gansch afgescheiden van wat zij niet noodzakelijk maar vrijwillig voortgebracht had. Vandaar de verpersoonlijking van God als koning, opperheer, almachtig meester.

Die twee groote opvattingen van de Geheimenis vind ik terug door heel de aaneenschakeling van tijdkringen, die de geschiedenis uitmaakt. Aan de eene zijde, de willekeurige macht, buiten de wereld, die over de wereld heerscht en op het geschapene inwerkt. Aan de andere zijde, de Geheimenis als ziel van 't bestaande, de innerlijke, expansieve kracht van actie en reactie, de noodwendigheid die werkt van binnen naar buiten.

De notie van den persoonlijken God, wiens wil zich uitstrekt over de menschen, heeft nu sinds twee-duizend jaar den vorm onzer maatschappij bepaald. God, uitschrijver eener transcendentale wet, bracht achter zich de wereldlijke hiërarchie meê, het verordenen van 't leven door uiterlijke regels. Het goddelijk gezag en het wereldlijk zijn twee denkbeelden die steeds elkaar bijstonden. Menschen achtten zich de vertegenwoordigers van Gods wil op aarde, en meenden voor de anderen de bovenzinnelijke bevelen te moeten uitleggen, zeggend dat dft goed is en d£t kwaad, dft veroorloofd en

Sluiten