Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer oplevert", — dan vrees ik dat de heer Coopman al veel te ver van de poëzie staat, om nog te begrijpen dat een echt goede »vorm" zonder echt goeden «inhoud niet bestaan kan, en omgekeerd. Ik heb de Iris van Pol de Mont niet gelezen. Maar indien ons uit Iris werkelijk «muziek" toeruischt, laat staan «zielbedwelmende muziek", — en door dat woord bedoelt de verslaggever wel meer dan uiterlijke welluidendheid der klanken, — dan is er ook werkelijk een zielsmelodie in te vinden, of een mooi en teederwarm gevoelen van het dadelijke rond ons, een liefde voor de bewegingen van 't leven, dat wij in 't geringste en snelst voorbijgaande erkennen, een liefde voor de schoonheidsharmonie van 't wezenlijke; en dan kan een melodieus gebaar rijker aan «inhoud" zijn dan «eene schoone gedachte, een verheven gevoel", enz. Ofwel heeft de Mont alleen met geluiden en kleuren gegoocheld, belust op effektmakerij, zonder dat zijn hand geleid werd door het noodzakelijke zijner waarnemingen: maar dan moeten valsche noten door elk vers huppelen, en dan moet de «vorm" bepaald slecht zijn. Het deuntje van «vorm en inhoud" werd al zoo vervelend-dikwijls op het draaiorgel afgemalen, dat ik niet langer aandringen wil.

Het gemis van alle eenheid van kritiek bij den keurraad der Academie, treft ons vooral wanneer wij, na de aftakeling van Iris, den heer van Droogenbroeck in triomf zien dragen. Bij de Mont, zegt de keurraad, vindt men «vorm" waarin veel drift zit, «zinnelijke drift vooral", maar geen gevoel; nochtans was het dienzelfden

Sluiten