Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die in 1542 de Landvoogdes Maria ontving. Geleerden, en schilders bij de vleet, togen naar Venetië, Florence en Rome.

Maar het is vooral door Frankrijk dat wij tot de Renaissance voorbereid werden. Van alle uitheemsche stroomingen was de Fransche hier zeker de machtigste, vooral sedert de regeering van Margareta van Oostenrijk. In Brabant werd veel Fransch gesproken, jongelingen van eenigen aanleg zond men om te studeeren gewoonlijk naar Parijs, en de ijver onzer Calvinisten kwam dien invloed van 't Zuiden nog versterken.

En toch, die invloed, evenals de Italiaansche, blijft, voordat de eeuw aan 't wenden ging, van weinig beteekenis voor onze dichtkunst. Veel geschrijf der Rederijkers herinnert aan den Roman de la Rose. Uit oppervlakkige bizonderheden blijkt, dat b.v. Anthonis de Roovere en Gillis de Rammeleere den grooten Fran5ois Villon gelezen hadden, en Marot viel ook wel in den smaak; maar de algemeene gang onzer poëzie bleef maar altijd ongewijzigd.

Vóór het tijdperk van Jan Van der Noot richt zich slechts één echt individu in onze letteren op: Anna Bijns. Zij zong het eerst persoonlijk gemoedsleven, dat ze in zichzelf had afgeluisterd. Maar rondom haar is de geheele literatuur nog middeleeuwsch, en blijft, tot op 't einde der eeuw, grootendeels het vervelende rijk der Rederijkers: Jan-Baptista Houwaert, die nog voor een zuiver type van «rhetrozijn" mag doorgaan, is een tijdgenoot van Jan Van der Noot!

Sluiten