Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brand los, mijn hert, van al dat uw

gevlerkte vlucht ombindt;

brand los van kot en ketens; nu

de weenende ooge ontblind!

Brand los, mijn ziel, 'tis nu, 'tis nu dat de hemelvaart begint!...

Die mond zal zwijgen voortaan... De dood kwam stil en zacht dat zuivere leven besluiten.

Die zoetgevooisde mond, met den bedroefden plooi, dat zoo levendig gezicht, schuchter, maar met een eigen strenge zekerheid in zich, — dat deemoedig maar edel hoofd, dat al de schoonheid van Vlaanderen in zich droeg, — het zal nu in de gedachtenis der menschen geprent blijven, met dien blik, met dien plooi, onveranderlijk, sinds de klaarte van den dood er is over gekomen.

Liefderijke grijsaard met het onwankelbare hart, — met zooveel leed verzegeld in dat hart, welks frissche bronnen heel het land omspoelden onder tintelend stralenspel!...

Hoe gevoelig ook, — er waren hoogten in hem, waar de kwaadaardigheid der middelmatigen niet meer kwetsen kon: 't is het rustige avondlicht dier hoogten dat hem nu geheel omgeeft, voor eeuwig. En van alle

Sluiten