Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn moeder!... ó Waarom, waarom zoo vroeg gestorven! U restte nog een kind, onnoozel, onbedorven,

Zoo hulpeloos, zoo kleen — helaas, en schoon daarbij; Ach, nietig scheutke gras, waarnaar de zicht reeds haakte, Die in de wreede hand des eeuwgen maaiers naakte, 't Gebrek, aan sparen vreemd en wars van medelij!

Gij wist, gij wist het toch, hoe trouw trouwloozen schijnen, Hoe 's werelds ademgif elk bloempje doet verkwijnen,

Hoe zij de jeugd verwoest en met ellende spot!

Waarom mij mét u niet gevoerd naar betere oorden,

Toen druipende van 't bloed der versch gepleegde moorden U scheurde van mijn hart de stalen vuist van 't lot?

Spaar mij dien englenlach, te liefderijk en teeder! Bezoedel niet uw oog! Zie op uw kind niet neder,

Daar ze in dit walmend slijk heur schaamte aan flarden rijt: Wend af uw rein gelaat! Uw zuivre ziel zij veilig Voor de' aanblik van mijn lach, gevoelloos en onheilig, Waarmeê 'k een restjen eer voor luttel gouds versmijt!

Mijn moeder, verr' van hier! uw beeld verscherpt mijn rouwe; Mij gloeit de wang van schaamt' — mij, de gevallen vrouwe!— Voor uw weemoedig oog, dat mij zooveel verwijt!

Sluiten