Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En rugwaart leunend in mijn stoel Zie 'k met verlangen uit beneden naar 't gewoel,

En met een mat, maar zoet gevoel.

En 'k denk wéér aan de dagen,

Toen 'k immer Haar zag aan mijn sponde staan;

En hoor heur bange vragen,

En voel haar lieve hand weêr langs mijn voorhoofd gaan.

Zijt gij 't, mijn lieve, in dat gewaad,

Waarvan een zilv'ren glans en stralend licht uitgaat,

Welks wit het wit der sneeuw versmaadt?

Niet zij! Het schijnt een wezen Van Godlijker gestalt' dan de aarde geeft.

Hij wenkt — en opgerezen Volg ik met wank'len tred waar hij voorhenen zweeft.

Wij gaan, als mij zijn vinger wijst,

Tot waar, van 't heerlijk licht der blijde zon omlijst, De ranke kerkspits opwaart rijst.

Hij spreekt: Gij zult de bede Van hem, wien ze uit het hart ten hemel stijgt

En dankt of roept om vrede,

Vernemen; maar een elk wiens m ond slechts aanbidt, zwijgt.

Sluiten