is toegevoegd aan uw favorieten.

De gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als keer op keer hij 't roestig ijzer buit In suizelende vaart! Wie 't hem misgunn',

Niet wij. Alleen — of 't immer middag bleef!

Of niet, als lang de kleine ridder t'huis Den krullekop reeds neêrlei tot een droom Van zijn triumfen. 't heir der gróóte kind'ren,

Een horde van Silenen, 't eigen perk Der jongensvreugd met eereloos bedrijf Ontwijden kwam!

Salvator Rosa moog'

Het harden, bij 't gedrang, den stikdamp-walm, De lastertaal, het walgelijk gebaar,

Het woest gejuil van die verdorven bent!

Wij wenden elders ons weetgierig oog.

Forsch was hij, kloek gebouwd; de vuurge blik

Verried een mannenhart in 's jong'lings lijf.

Ach, had ten tweesprong hem, toen 't wufte lied

Van 't zinbedwelmende genot weêrklonk,

Een gids ter zij' gestaan — het vaderland

Hadde ook zijn arm, zijn vaag der mannenkracht

Ten dienste thans; het vlak des Oceaans

Vernaam' zijn zeemanslied uit volle borst,

Daar 't spattend schuim om 't smetloos voorhoofd vloog,