Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In liederlijke sprongen weggetreên De flarden van haar eer!

Geen flarde zelfs,

Helaas, bleef haar, die eenzaam, in den schijn Der gasvlam, bij haar huisdeur loert, of soms Van de' uitgelaten drom op 't kermisplein In 't vunzig steegje een afdwaal'. Gracelijk plooit De schaamle roode doek de schouders af;

Het lokkig hoofd, in 't scheemrend licht nog schoon, Buigt zich al luist'rende ter zij' — de stift Des kunstnaars niet onwaard. Haar gloeiend oog Vorscht in de duisternis.... de flauwe wind Voert af en aan 't verwarde feestgerucht Haar toe van verr' — en bitter is de lach,

Die op 't geluid haar om de lippen trekt.

Doch doop' wien 't lust nog dieper zijn penseel In kleuren zoo onrein! De werk'lijkheid Staat open voor uw blik; waarbij 't palet Zijn schelste verf verschieten zaag' tot grauw. De werk'lijkheid is daar, ó burgerschap!

Uw waanwijs onverstand weeg' tegen 't goud,

Sluiten