Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zoo geduchte staart zwiept héén en weder,

Dan korlen zand in 's negers vaal gelaat; En — langzaam daalt de leeuw ter bronne neder, Waar hij aan 't klaatrend nat zijn dorst verslaat.

Wat zoude Nimrod doen? Zijn boog en pijlen

Smeet hij in 't gras daarginds gedacht'loos neêr! Het beste schijnt, gansch roerloos te verwijlen, Of de ongenoode gast soms huiswaart keer'.

Gedacht, gedaan! Daar rekken zich de schonken,

Het trotsche hoofd wordt weder opgebeurd, En staatlijk wendt het dier naar zijn spelonken, Als hadde 't mijlen rond geen mensch gespeurd.

Of hem een last van 't harte waar' gegleden, Heraamt de zwarte en ijlt naar zijnen boog;

De vorst des wouds ziet om; weerhoudt zijn schreden;

En vangt den doodelijken pijl in 't oog.

Sluiten