is toegevoegd aan uw favorieten.

De gedichten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

325

IK ZAG HAAR WEER.

Ik zag haar weêr — een jonge weduw, rijk,

En praatziek en blasée; het schoon gelaat

Wat scherper reeds van trek; de stem alleen

Gansch de oude nog. Nauw klonk mij deze in 't oor

En 'k zag 't gelaat niet meer. Ik was weêr kind

En dartelde als bedwelmd van specerij,

In zaalge koelt' van nimmer stervend hout;

't Gekevied duifjen in den klapperboom

Zond kirrend groeten neer; het dof gestamp

Der meisjes aan den tombok klonk van verr';

De paddisnijders floten in het veld;

Verlokkend schaterde uit het dal 't gejuich

Der knapen in de bruisende rivier;

Ik plaste meê, den pisangstam omklemd,

In 't borlend, schuimend, hartverkwikkend bad;

Het bruisen vloeide in plechtig golfgeruisch;

Ik hoorde 't klapperen van zeil bij zeil,