Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van ons geheele district heeft weten te verwerven; een man, evenzeer bekend in de paleizen onzer rijken als in de hutten onzer armen; een man, wiens heldere inzichten ons allen zijn blootgelegd in de vele belangrijke geschriften, waarmede hij onze politieke litteratuur verrijkt heeft, een man

Haspelstok. (ter zijde.)

Ik wou, dat hij nu maar eindelijk zei, wie hij meent.

Valburg. (voortgaande.)

een man — behoef ik zijn naam nog te noemen ?

Haspelstok. (ter zijde.)

Dat zou ik nog al noodig vinden.

Valburg.

In één woord, mijnheer de Voorzitter, ik heb reeds genoeg gezegd om een ieder te doen begrijpen, dat ik bedoel den heer Johannes Lansing; ik mag er bij voegen, en ik ben er trotsch op, dat ik hem dien naam mag geven: mijn ouden vriend Lansing.

Haspelstok.

O, zoo, zoo, een oude vriend — nu begin ik het te begrijpen.

Valburg.

Mijnheer de Voorzitter, ik hoor mij door ons geacht medelid van de Kerkstraat in de rede vallen met eene uitdrukking, die mij noopt nog een oogenblik langer het geduld van deze vergadering te vergen. Ik moet hem op deze interruptie antwoorden, in de eerste plaats, dat ik het woord „mijn oude vriend" gebezigd heb in de gewone en niet in de parlementaire beteekenis, als wanneer mijn oude vriend meestal zeggen wil: de man die mij overal in de wielen rijdt. In de tweede plaats: de heer Lansing

Sluiten