Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 't Is eene levenskwestie voor Stellendijk; — 't is van groot belang — van het allerhoogste belang.

Haspelstok.

Ja, dat zeit de notaris ook altijd. En nu kunnen ze hem zóó leggen. (Hij trekt met zijn stok eene streep op den grond.) Nu heb je hier Stellendijk, zie je, — en hier lelt dan de molen, — en hier — op zij — leit nu mijn stukje grond, waar ik van sprak — tachtig roê klaverland. — En zoo kom je aan de Rooie hoef, en zoo verder, deze kant uit (Zij loopen beiden al teekenende

achteruit en eindelijk stoot Haspelstok tegen Valburg aan, die hen al dien tijd in zich zelf lachend heeft aangehoord en bekeken). Hei! (hij kijkt om en ziet Valburg.) O, ik vraag je duizendmaal om vergeving, mijnheer Valburg; ik had u niet gezien, doordien ik met mijn rug naar u toe liep.

Valburg.

't Is niemendal, mijnheer Haspelstok. Ik zat hier aan de tafel te schrijven toen de heeren binnenkwamen. (Hij staat op.) En ik geloof dat ik 't genoegen heb, mijnheer Marksteen te zien.

Marksteen.

Om u te dienen. En ik geloof hoor ik u niet

mijnheer Valburg noemen?

Valburg.

Juist, mijnheer Marksteen. Maar laat ik de heeren niet storen: ik heb ook mijn werk, waar wat haast bij is, en dus, permitteer me (hij gaat weer zitten schrijven.)

Marksteen (gaat met Haspelstok weer naar de andere zijde van het tooneel).

(zacht tot Haspelstok.) Wie is die mijnheer ook weer ?

Sluiten