Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Duus.

Ei, ei; — zoo, zoo. — Was dat op raad van mijnheer Van Bergen? (ter zijde.) Hij wou me ontloopen. {Luid.) 't Speet me ook zeer, dat we zoo onverwacht van elkander raakten. Ik reis niet graag alleen, ziet u. Ik heb behoefte aan toespraak. En bovendien, ik zal u eens wat zeggen, ik had nog een bijzondere reden om u terug te vinden, een bijzondere reden. Ik heb alle vreemdelingenlijsten doorgezocht — alle vreemdelingenlijsten. A propos, is die mijnheer Van Bergen nog in uw gezelschap? Ik heb gezien, dat hij ook hier in Interlaken is.

Breevelt.

Zeker, zeker. En gelukkig dat hij met ons meê is gereisd.

Duijs.

Gelukkig?

Mevr. Breevelt.

Ja, gelukkig, mijnheer Duijs. We hebben ons leven aan hem te danken.

Duijs.

Aan mijnheer Van Bergen? Uw leven te danken? Hoe dat zoo?

Breevelt.

Dat zal ik u vertellen. Kent u de Brünig?

Duijs.

De Brünig? — Neen, ik geloof niet dat ik ooit het genoegen heb gehad

Mnldrr, Dramat. werken I. 13

Sluiten