Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Breevelt.

Ik dank u, mijnheer Duijs, dat zal ik zelf wel doen als ik dat noodig vind. (Tot den bankier.) Ik dank u intusschen, mijnheer, voor uwe mededeeling. — De lust tot wandelen is me vergaan. Ik heb de eer de heeren te groeten.

(Af.)

ZEVENDE TOONEEL.

Duijs, de Bankier.

Duijs.

Het gaat mijnheer Breevelt aan zijn hart, dat zie ik wel. Hij heeft zich heelemaal door dien Van Bergen laten inpakken. Maar — wacht maar, die zal gauw genoeg zien, dat hij met nog slimmer te doen heeft dan hij zelf denkt te zijn. We hebben nu A gezegd, mijnheer, we moeten nu B zeggen.

Bankier.

Dat ben ik met u eens, maar — we moeten het met de uiterste voorzichtigheid aanleggen. (Hij denkt een oogenblik na.) Weet u, waar die mijnheer Van Bergen vandaan is?

Duijs.

Van Wageningen — ten minste, dat zegt hij.

Sluiten