Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als Matth. VII : 12 J) vraagt niet, dat de christen b. v. ten behoeve van de armen zijn bezitting prijs geven zal, maar dat hij ten allen tijde bereid zij, den naaste in bezit en belang te helpen. De aardsche goederen vormen voorts het hoogste goed niet en hangen er ook niet innerlijk mede samen, zoodat een christen niet kan meenen, dat alle menschen ze in gelijke hoeveelheid behooren te bezitten; in de ongelijke verdeeling moet Gods bestuur opgemerkt worden. De christelijke geest verlangt erkenning van en liefdevolle overgave aan het door Gods leiding en de persoonlijke vrijheid verworven bezit, hoe ongelijk en van dat der anderen verschillend het ook zij.

Wundt merkt op (II, S. 260—335), dat in de tegenwoordige maatschappij adelstand en boerenstand voortdurend verdwijnen of van positie veranderen en er almeer twee kringen ontstaan, die van de bezitters en ondernemers naast dien van de arbeiders en bezit-loozen, beter: minder-bezitters. Deze kringen zijn onderscheiden in bezit, beroep en beschaving. En de vierde stand vraagt nu de wegneming van de voorrechten en voordeelen van de andere standen. Terecht, inzooverre het tegenwoordige »kapitalisme«, d.i. het stelsel, waarin bezit voorrang geeft, een uitvloeisel is van het Individualisme, dat sinds de Renaissance werkt en in het midden der achttiende eeuw tot systeem is gemaakt. De tijdelijke zegen daarvan voor de maatschappij mag niet worden geloochend; want de groote vlucht van de industrie en van het koloniën-systeem is gevolg van het particulier initiatief, dat baanbrekend optrad en de risico dragen dorst. Maar het heeft zijn tijd gehad,

„Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo."

Sluiten