Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aard verandeien; — disseuieiit,m. verbastering, ontaarding; vermindering, v.; — ditc, f. ontaarding v-

Abatee. f. afwijking (van een schip), v.

Abat-faiui, m. groot stuk vleesch of brood (om den eersten honger te stillen): maagpleister, v.: des abat-faim.

Abat-foin, m. opening boven de ruif, om er het hooi in te doen, v.: de» abat-lbin.

A bat is, ou abattis, m. eene menigte over elkander neergevelde of dooreengeworpen dingen, v.: puin; afbraak, v.; vellen van boomen; afv^l (van geslacht), m.; kop, hals, pootjes van gevogelte: 1111 abatis d'oie: (arg.)de ledematen van een mensch.

Abat-jour. m. soort van venster in een afdak, om' het licht te doen vallen waar men het noodig heeft; koekoek, m.; vallicht: lampekap, v.

Abat||teuient, ni. verzwakking, vermindering of afneming der krachten, v.; fig. neerslachtigheid, machteloosheid, flauwhartigheid.^.: — teur, m. houthakker,boomveller: — dequilles, goed kegelaar;lig.snoever,opsnijder, zwetsenun — de iw.Minriw. ppn flink werkman: — tre. v. a. (rad.

l»aM) omverhalen, omverhakken, omwerpen, afbreken, omhouwen: neerschieten; afmaaien; afslaan; villen: —den noix, noten afslaan: —du hoi*, houthakken: — la tète, het hoofd afhouwen: Ie canon abat de» rang* entiers. het geschut maait heele gelederen weg; la pluie a abattu la poussière, de regen heeft het stof gelegd of neergeslagen: prov. pelite pluie abat grand vent, met zachtheid kan men veel uitrichten; fig. verzwakken, verslappen, neerslachtig maken: — 1'orgueil, den hoogmoed vernederen; — la rataraete. van de staar lichten; — du boi*, schijven slaan (op een dambord); veel kegels gooien: — de la besogne. veel werk afdoen: ire, v. pr. neerstorten, neervallen (van een paard); bedaren, gaan liggen (van den wind); neerstrijken (van een vogel): sou clieval a'est abattu sou* lui, zijn paard is onder hem neergevallen: une nwce de corbeaux s'abattent sur lea cadavres, een zwerm raven strijkt op Hp iül-pii npp.r: fi<j. moedeloos worden, bezwijken;

—tu, ue, a. omvergehaald, enz.; fig. machteloos, neerslachtig, mismoedig, bedrukt; — ture. f. het afslaan (van eikels); — turea. f. pl. spoor, dat een hert achterlaat in het kreupelhout.

Abat-vent. m. windscherm, afdak, luifel, v.: de* abat-vent.

Abat-voix, m. hemel van een preekstoel, m.; klankbord; dea abat-voix.

Abbatial. ale (pr. rial), a. dat tot den abt, de abdis of de abdij behoort.

Abbaye (pr. abe-i>. f. abdij, v.: (arg.) oven.

Abbayser (pr. abe-l), v. a. eene abdij stichten : , v. pr. in eene abdij gaan.

Abbe (lat. abbas, pére), m. abt; wereldlijk geestelijke, kloostervoogd; régulier, geordende abt, geestelijke; — eominendataire, aérulier, wereldlijke abt; prov. Ie iiioine repond couiiiip i*_ elianle, zoo heer zoo knecht.

Abbease, f. abdis.

ABC ou Abéeé, m. alphabet, ABboek: lig. beginselen, eerste gronden: raritliniètique n'est que I'— dea inatliéinatiques, derekenkunst is het begin der wiskunde.

Abreder, v. n. ach tot een zweer zetten.

Abeea, m. (lat. abcessus, séparation), verzwering, v.: gezwel.

Abdi eation, f. nederlegging van een ambt enz, afdanking, v.; afstand van zijne goederen,

ni.; — quer. v. a. (lat. abdicare) (.een ambt) vrijwillig nederleggen, van zijn goederen afstand doèn; — la rouroiitie, van de kroon afstand doen; fig. — ses vlees, zijne ondeugden afleggen; (zonder voorwerp) ee prinee a abdiqué, die vorst heeft afstand van de regeering gedaan.

Abdomen, (pr. inèiie) m. onderbuik, m.; achterlijf van insecten: — niinal, ale,# a, tot den onderbuik behoorende; inuaelea — iiiinaux. onderbuiksspieren, v.: — ■iiiiiaux, m. pl. visschen met vinnen onder den buik.

Abdue teur, m. (préf. ab et lat. ducere. conduire) aftrekkende, buitenwaartstrekkende spier, v.; — tion, f. afleiding, v.; aftrekking van eene spier, v.

Abére daire. m. ABboek; hij of zij, die nog in het ABC is; adj. alphabetisch; — der. v. n. het ABC leeren.

Aberqueuieiit, m. azen van jonge vogei», het eten geven met den bek.

Abeequer, abéquer (rad. bee) v.a. voeren, voedsel in den bek geven; fig. verwennen; (arg.) abequeuae, f. voedster, min.

Abee, f. (du vieux fr. bée=baie. ouverture) opening, waardoor 't water op 't molenrad valt, v.

Aheille, f.dat. apis) bij,honigbij,v.; — commune,ou\rière,travailleu8e,werkbij;—mAle,

hommel; — cirière, wasbij; — ma$oiuie, muurbij; coupetiae, rozenbij: mère —, koningin.

Abeiiloo, m. bijenzwerm, m.

Aberration, f. (lat. aberratio), schijnbeweging van de vaste sterren; verspreiding van lichtstralen; fig. verwarring, afdwaling van 't verstand.

Abè!|tir, v. a. dof, dom maken; v. n.dof, dom worden: »*—. v. pr. verstompen, verdierlijken; —tiwaeuient, m. verstomping, ontaarding, v.

Ab boe et ab liac (pr. abokétabitk), adv. zonder orde, in 't wild, in 't honderd.

Abliorrer, v. a. verfoeien, een' afkeer hebben.

A bi et i II. a. op eene dennenaald gelijkend; in dennebosschen levend.

A bigeat. m. veedieverij (bij de oude Romeinen).

Abi ine. m. (a priv. et grec bussos, fond) afgrond, poel, m.; fig. onmeetbaarheid, ondoorgrondelijkheid, v.: un — de malheur, de misère, een poel van ellende: —nier. v. a. in een afgrond storten, te gronde richten; fig. bederven, beschadigen; v.n. verzinken, vergaan; la pluie a abime les cheinliis, de regen heeft de wegen beschadigd: s'—. v. pr. zich in een afgrond storten; vergaan, wegzinken; fig. zich verdiepen: ahiuie dans «es pensees, in gedachten verdiept: abiuié dan* IVtude, in de studie verdiept; certalnes etofles a'ahiineiit au soleil. sommige stoffen verschieten, bederven in de zon.

Abintestat,(préf. in et lat. testari, tester), zonder testament.

Ab ject, ecte (pr. jekte), a. (lat. abjectus, jeté hors) verachtelijk; laag, verworpen; — jeetion, f. verachting, verlaging, v.

Abju rat ion, (lat. abj uratio, reniement) 1. afzwering, v.; —er, v. a. afzweren: fig. verzaken.

Ablactation, f. staking van 't zogen, van de moeder sprekende:*evrage,van't kind sprekende.

Ablatif, m. ablativus, de zesde naamval, m.

Ablation, f. wegneming, afzetting (van een lid. een gezwel enz.).

Able, m. ou Ablette. f. witvisch, blei, m.

Ahlegiit. (préf. ab et lat. legatus envoyé) m. pauselijk vice-legaat.

Sluiten