is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aggloniérnl, in. saineiihoopsel van verschillende stofTen.

Agglomerati»», f. samenvoeging in klompjes enz., v.; ophooping, v.

sAgglmnérer, v. pr. (pref. ad et lat. glomus. peloton) zich ophoopen.

Aggluti nant, ante, agglutinatie a. aanklevend; langues —nantes ou agglouierantes, f. pl. talen, waarin de verbuiging door eenvoudige aaneenvoeging van stammen plaats heeft; — iiation, f. aankleving, v.; — ner, v. a. (préf. ad et lat. glutinum, colle) aankleven, aaneenhechten; s'—, v. pr. samenkleven.

Aggraüyant, ante, a. verzwarend; -vation. t. verzwaring, v.; — vé, ée, a. verzwaard; —ve, m. kerkelijke waarschuwing, v.; —ver, v. a. (préf. ad et lat. gravis, lourd) verzwaren; s —, v. pr. zwaarder worden.

Agi||le, a. vlug, behendig, gezwind; -leuient, adv..behendig; op eene vlugge, gezwinde wijze: i V v'u&heid? behendigheid, gezwindheid, v. Agio, m. (ital. aggio, mis en sus) opgeld, agio. h '

A giorno. adv. zoo licht als de dag.

Agio Itage, m. handel en woeker met effecten, geld, enz., m.: -ter, v. n. met effecten, geld woekeren; —teur, m. woekeraar met effecten, geld, enz.

Agir, v. n. (lat. agere, faire) doen, handelen, werken; in rechten vervolgen; — sur.., werken op.,; — pour.,, eene zaak bezorgen, ten uitvoer brengen; — coiitre,,, handelen tegen,.; — en.,, zich gedragen als; — dan«orite, op gezag handelen; il »*—, de zaak is, de vraag is, het komt er op aan; il de ma lortune, de mon lionneur, mijn vermogen, mijne eer staat op 't spel.

Agissant, ante, a. werkend, handelend; vlijtig, werkzaam.

Agi||tatenr, m. oproermaker, woelgeest; —tation, f. sterke beweging, ontsteltenis, onrust, v.; — tato, levendig, onstuimig (in de muziek); -ter, v. a. (lat. agitare) heen en weer bewegen, slingeren; - Ie» bras, met de armen zwaaien; — mi inouelioir, meteen zakdoek wuiven; - Ie muur. het bloed in gisting brengen, doen koken; fig, verontrusten, beroeren, in opstand brengen; — mie ouestion een vraagstuk opwerpen, onderzoeken: s*—, v! pr. bewogen worden, zich sterk bewegen, woelen; behandeld, beredeneerd worden (van een vraagstuk).

.iglutitioii, t. onvermogen om te slikken, v.

Agnan, m. klinkijzer.

Agnat (pr. ag-na>, m. bloedverwant van vaderskant, m.

Agiin tion, f. bloedverwantschap (van vaders zijde), v.; tique, a. van vaderszijde verwant.

Agnean, m. (lat. agnus) lam: fig. een zachtzinnig mensch, m.; - pascal, paaschlam; — de lait, zooglam; - sans taehe, fi*. Jezus Christus, vlekkeloos lam.

Agnel, m. lammerkroon, v. oude Fransche munt (14 franken).

Agne lier, v. n, lammeren; lammeren werpen; — let, m. lammetje, zooglam; —line a. et subst. f. laine —, lamswol, v.; —lius m' pl. bereide lamsvellen: -lle, f. vrouwelijk lam!

Agnes (pr. êee), f. jong en zeer onnoozel meisje.

Agnus (pr. ag-nuce), m. wassen beeldje (met de afbeelding van 't lam er op).

i ^'"'s-rastus (pr. ag-iiuee-eastuce), m.

kuischboom, m. (zekere heester).

AginiH'Dei, m. Agnus-Dei, wassenbeeld van een lam; zeker gebed in de Mis.

Agobllles,f.pl.(arg.) werktuigen van een dief.

Ago me. f. (gr. agonia, combat)doodsnood, m.,zieltoging, v.; fig. doodsangst,m.; zieltoging, v.' etre a I'—, op sterven liggen; soufTrir P—' doodsangst uitstaan; —nisant, ante, a. zieltogend, met den dood worstelend; la priére fles —s, het gebed voor stervenden; — nisei v. n. zieltogen, met den dood worstelen.

Agonir, v. a. — de sottises, d'injures. met dwaasheden, met beschimpingen overladen.

4 irnilli m lmarilfOllnnnl.. ..*1J •

f —• '.mviinaaiiDl-lIC VeiUIIlUlS, VJ

agouti, m.: varkenkonijn.

Agra re, f. haakje; gesp, m. kram, v.: — ile (limiiniifs, met diamanten versierde haakporte d'-, oog; -Ier. v. a. toehaken. vasthaken; (arg.) in hechtenis nemen.

Agraire.a. (lat. agrarius. de ager, champ) wat op den akker betrekking heeft; lui — akkerwet bij de oude Komeinen, v.

Agran dir, v. a. vergrooten, uitbreiden: lig verheffen, veredelen; - Ie cerile de He» con■iiiiHHimreH. den kring zijner kundigheden uitbreiden; ce vèlenient vuiih agmndit. dit kleedingstuk doet u grooter lijken; v pr grooter worden; zich uitbreiden; -disNemeiit m. vergrooting, v.; aanwas, m.; fig. toeneming! vermeerdering, v.

Agrcahle, a. aangenaam, behagelijk, vriendelijk; faire I'-, pogingen doen om aardig te zijn, om te behagen; avoir pour —, goedvinden, genoegen nemen in, voor lief nemen; —ahlriiient. adv. vermakelijk, op eene aange-

vvtJfcO.

AgréiJer, v. a. (rad. gre) goedkeuren; in dank aannemen; agreez raMsuraiiee de uia protonde eoiisideration, neem de verzekering van mijne^ diepe hoogachting aan (briefst.); — iiii vaisseau, een schip uitrusten; v. n. behagen, bevallen; eela ne nragree pas. dat staat mij niet aan; —eur, m. takelmeester.

Agre gat, m. vereeniging, verzameling, v.; —gation. f. aanneming (in een gezelschap); samenhooping (van stoffen), v.; —gé, m. vereeniging, v.; buitengewoon leerair; toegevoegd ambtenaar; — a la t'aeulte du droit. buitengewoon hoogleeraar in de rechten: —ger, v. a. (lat. aggregare, réunir; préf. ad et grex, gregis, troupeau) in een gezelschap ot genootschap aannemen als lid; bijeenvoegen (van verschillende stoffen).

Agrciiieiit. m. bewilliging, goedkeuring; bevalligheid, aangenaamheid, v.; vergenoegen; arts d"—, schoone kunsten (muziek, schilderen enz.); yoyage d'—, pleizierreis, v.: jardiu d'—. lusthot, m.: —s. pl. m. versiersels": —er, v. a aangenaam maken; versieren.

Agréner, v. a. leeg hoozen.

Agrés, m. pl. takelwerk.

Agres seur, m. aanrander, aanvaller, twistverwekker; —sion, f. (lat. agressio, de aggredi, attaquer) eerste aanval, m.; aanranding, v.; — sif, ive, a. aanvallend, aanrandend, aangrijpend.

Agreste, a. (lat. ag rest is) boersch, landelijk; ruw, woest, onbeschaafd.

Agri role, a. (lat. agricola, laboureur; de *jger, champ, et colo, je cultive) die zich op Ze? akkerbouw .toelegt; op den landbouw betrekkelijk; produits —s,landbouwproducten;