Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naald; — a tiiroter. breinaald; — a ravauder.

a repriser, stopnaald; fu»il a —, naaldgeweer; achterlader, m.; lig. <le lil en aiguille. haarfijn, in alle bijzonderheden; prov. clierrher une — dauw une holte de foi», eene stopnaald in een' hooiwagen zoeken; vouloir pauper par Ie trou de r—, het onmogelijke willen; di»puter sur la pointe d'une —, om eene nietigheid twisten; —Ie, a. naaldvormig; — lée, f. draad garen of zijde, m.; —Ier, v. a. de wissels stellen (op spoorwegen); — mi train, een trein op eene andere lijn brengen (door verplaatsing der wissels); —letale, m. aanzetting van nestels, v.; —leter, v. a. met nestels of veters toemaken; vastrijgen; — letier, m. nestelmaker; — lette,f. nestel, veter, m.; nestelsnoer, m.(op een uniform); lijn, touw (op een schip); dunne vleeschreep (vooral van gevogelte); —leur, m. wisselwachter; —lière, onder het water gespannen net; —lier, m. naaldenkoker, m.; naaldenmaker; —Ion, m. prikkel; angel, m.; tig. aansporing, v.; aandrang, m.; — lonné, a. met een prikkel voorzien; — lomier, v. a. voortdrijven; lig. aansporen, aanprikkelen; — lot, m. roerhaak, m.

Aigui nement ou aigui»age. m. slijping, v.; —ser, v. a. slijpen, wetten, scherp maken; fig. scherpen, opwekken; — l'appétit, eetlust geven, den eetlust opwekken; — Meur, m. slijper.

'Ail, m. (lat. allium) knoflook; aentir r—, naar knoflook rieken (plur. aulx; aih en termes de botanique).

Ai Ie, f. (lat. ala) wiek, v.; vleugel, m.; vlerk, v.; (pop.) arm; fig. bescherming, v.; Ie» —«du temp», de vleugels, de snelheid van den tijd; prav. la peur lui donna de» —», de vrees joeg hem voort; voler de we» propre» —», opeigen wieken drijven; »ou» I*— iiiaternelle, onder moeders vleugelen; battre de I'—, vermoeid, in moeilijkheden zijn: il ne bat plu» que d'une —, hij is zijne beste krachten kwijt, hij gaat achteruit; avoir du ploinh dan» I"—, en avoir dan» I*—, aangetast zijn door ziekte, vermoeienis, geldverlies; rogner Ie» —» a quelqu'tiii, iemand kortwieken, hem een deel van zijn macht, vermogen enz. ontnemen; tirer une pluiiie de I*— de qn., iemand eene veer uit den staart trekken, hem eene concessie afdwingen; tirer pied ou — de qn. ou de qrh., voordeel uit iets of uit iemand behalen, trekken; a tire d'—, vliegensvlug; prov. Ie mal a de» —», 't ongeluk komt snel; — de moulin, molenwiek, v.; tourner I'— au vent, den molen naar den wind zetten; —» du nez, de l'oreille, de» poiiuion», neus-, oor-, longvleugels; — d'un édillce, vleugel van een gebouw.

Ailé, ée, a. gevleugeld.

Aileron, m. uiterst lid van den vleugel; vin van een visch, v.; scheprad van een watermolen.

Ailette, f. vleugeltje; belegstuk (van een schoen, eene kous, eene mouw); verlengstuk; looden pen (aan een kanonskogel).

Aillade, f. knoflook-saus, v.

Ailleur», adv. (lat. aliorsum) elders, op eene andere plaats; d'—, aan een'anderen kant. daarenboven, overigens.

Ailloli (pr. a-yoli). m. knoflooknat. > Aiüuiahle, a.'(lat. amabi lis) beminnelijk, beminnenswaardig; —mant, ante, a. minzaam, liefderijk, vriendelijk.

Aiinan||t, m. (contraction du gr. adamas, diamant) magneet, zeilsteen, m.; —tation, f. het magnetisch maken; —té, ée, a. met den zeilsteen bestreken; —ter, v. a. met den zeilsteen bestrijken, magnetisch maken; —tin, ine, a. magnetisch (inaguetique).

Aiiner, v. a. (lat. amare) beminnen, liefhebben, verliefd zijn; een liefhebber van iets zijn; iets gaarne zien, hebben; v. n. willen, wenschen. begeeren, gaarne hebben; Poli vier aiiue Ie» p«y§ ehaud», de olijfboom groeit liefst, het best in heete landen; prov. qui in'aiine aiine iiion rliien, die mij lief heeft, heeft ook 't mijne lief; — a, ergens genoegen in vinden: iets gaarne doen: i'aiine a ayouer, ik beken gaarne; j'aimerai» a voir, ik zou gaarne zien; — mieux, liever hebben, liever willen: j'aiine mieux dan»er que de rhanter, ik houd meer van dansen dan van zingen.

Aine, f. (lat. inguen) lies, v.

Ainé, ée, a. et subst. (v. fr. ains, avant, et ne) oudste, eerstgeborene (zoon of dochter): il e»t iiioii —, hij is ouder dan ik.

Aine»»e, f. eerstgeboorte, v.; droit d'—, eerstgeboorterecht.

Ain»i, adv. (lat. in sic, de cette manière) dus, aldus, alzoo, op die manier; — que. conj. zoo als; — dit, — fait, zoo gezegd, zoo gedaan;

— Hoit-il! int. amen! zoo zij het!

Air, m. (gr. aèr) lucht, v.; wind, m.; uiterlijk: zwier, m.; wijze, manier van doen, v.; wezen: (ital. aria) lied of zangstuk: aria, melodie, v.: Ie grand —, de open, frissche lucht, v.; dontier de I*— a une rbainbre, eene kamer laten luchten; — t'rai». koeltje: courant d*—, tocht, m.; ètre entre deux —», op den tocht staan, zitten; 1111 coup d*—, een gevatte kou; tirer en I"—, in de lucht schieten; des conté» en 1*—, dwaze praatjes: unerho»e en P—, eene onvaste zaak: tout e»t en I'— dan» la niai»on, het heele huis is in wanorde; il e»t toujour» en I'—, hij is verbazend druk, onrustig; prendre I'—du bureau, poolshoogte nemen: avoir I"— inalade, er ziek uitzien: avoir F— d'un l'ripon, op een schurk lijken:

— de familie, familietrek, m.; avoir un faux

— de qn., iets van iemand weghebben; Ie bel —, de deftige manieren; cette propo»ition n'a pa» P— »erieu»e, dit voorstel schijnt niet ernstig bedoeld; »e donner de I'—, »e pou»»er de F—, jouer la flille de I*—, (argot) er van door gaan; de grand» —», zwierige manieren, v.; prendre, »e donner de» —», zich een aanzien geven, zich veel inbeelden; r'e»t I'— qui fait la cliaiiHon, de toon maakt de muziek: un — a boire, een drinkliedje.

Airain, m. (lat. «neramen) etskooper, plaatkoper; metaal; d'—, fig. wreed, ongevoelig, onmeedoogend; avoir un front d'—, onbeschaamd zijn; un ceeur d'—, een ongevoelig hart; »iècle d'—, m. fig. koperen eeuw, v.: I*— toniiaiit, het donderend geschut: les hou» lugubre» de I*—, de sombere klokketonen.

Ai re. f. (lat. area) deel, v. dorschvloer. m.; nest van een roofvogel; I*— d'un triangle. d'un cliauip. de vlakke inhoud, ruimte van een driehoek, een akker; — «Ie vent, kompasstreek, windstreek, v.

Airée, f. hoeveelheid schoven, die men in eens op een dorschvloer legt.

Airelle, f. mirtebes, boschbes, v.

Airer, v. n. een nest maken (van groote roofvogels).

Sluiten