Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(van ccn jachthond); — r, ruiken; het spoor van 't wild volgen. . .

\ssen' timent. m. toestemming, inwilliging, v.; y-tir, v. n. a qrl».. toestemmen, instemmen (met); bewilligen; goedkeuren.

Asseoir, v.a.(lat. sedes, siege)nederzetten, zetten, stellen; vaststellen, invoeren (van belastingen); — uil ramp, een kamp opslaan; — mie statue sur mi piédental, een standbeeld op een voetstuk stellen; — Ie» fondement» dun édilire, de grondslagen van een gebouw i.kitirun* i-.k nr*>iiii«>rp nipri'p. den eersten

steen leggen; - mie rente uur une mnisnii,

hypotheek op een huis nemen; — Ie* iiopots, (ien omslag der belastingen maken; — un ingeuient, een oordeel gronden; »*—, v. pr. h nodorypttp.n. rrnan zitten. Zie Assis,

Asser || menter, v. a. beüedigen, den ambtseed afnemen; foiirtioimnlre assermeiité, beëdigd ambtenaar; prétre ns§ermente, priester under de eerste Fr. revol., die den eed op ,Ip cniistitnlio bad afareleed: -til", a.bevestigend.

bekrachtigend; -tion, f. bewering, v.: verzekering, bekrachtiging, v.; —tivement, adv. bekiachtigender of bevestigender wyze; — \ir, v. a. onderwerpen, dienstbaar, onderdanig maken: — ses passions, zijne hartstochten beteugelen; s* — , v. pr. zich onderwerpen; — vissmient, m. onderwerping, dienstbaarheid,

As»es||seur, a. et s. m. (lat. assidere,

sasseDir aupresj, uijziuer, uijzmenu icunt , =cssor; —««rat, m. bijzitterschap; — sorial, ale, a. betgeen tot den bijzitter behoort. Assette, f. zie ammcaii*

Assez, adv. (pref. ad et lat. satis, sullisamment); — bien, tamelijk wel; il arrivé - ordinairemeiit, het gebeurt nog al eens; rein est —plaiaant, dat is heel kluchtig! j en

ai —, ik heb er genoeg van. nei staat mij tegen.

Assil|du, ue, a. (lat assidere, se tenir aupres) voortdurend bij iem.; (a qeli.) vlijtig, wpi'bnanv — <!■■■<«' f. vliit. werkzaam¬

heid:° voortdurende tegenwoordigheid bij iem.; —dikinent, adv., met ijver, onafgebroken, onverdroten.

.WiéIIgetuit, ante, a.belegerend; — geants, m. pl. belegeraars eener plaats; — ger, v. a. (pref. ad et lat. sedere, s'établir) belegeren (eene stad of plaats); tig. omringen, omgeven; — qn., iemand overal op de hielen volgen; het iemand lastig maken: —gén, m. pl. bele-

Assietjte, f. (rad. assls) stand, toestand, staat, m. gesteldheid, ligging, v.; tafelbord; ftg. stemming, gesteldheid, v.; grond op de snee van een boek om het te vergulden, m.; re malade ne peut se tenir longteuips dan» la iiième —, die zieke kan niet lang stil blijven liggen: perdre 1*—, niet vast in den zadel zitten; je ne hu!» pan dan* mon — ordinaire, ik ben'niet in mijne gewone stemming; sortir de nou —. ziine crewone kalmte verliezen; I*—

d nne piei re, d'une poutre, de bevestiging van een steen, van een balk; r— d'uti impAt, de omslag van eene belasting; I*— d'une fortune, de toestand van een vermogen; —s hlaue lirs, schoone borden: — ereuse, diep bord; relever Ie» —s, de borden wegne-

mpn • ui <■■■<>■' f— InfpUiOinimpn. Illl llilllie-

assiette, een tafelschuimer; KhaII reda son droit d'ai nesse pour mie — de lentiles, Rsau verkocht zijn eerstgeboorterecht voor

een schotel linzen; — a mouelirttr», snuiterbakje; —tée, f. bord vol.

Assignüablr, a. wat aangegeven kan worden: bepaalbaar: —at, m. assignaat (papiergeld); —ation, f. aanwijzing van een fonds tot betaling van eene schuld, eene rente enz.; order om aan toonder te betalen, assignatie, v.; dagvaarding; rendez-vous; —er, v. a. (pref. ad et lat. signum, signe) aanwijzen; — uti fonds pour Ie paieineiit d'une rente, een fonds voor de betaling van eene rente aanwijzen; — les \eritables ranse» des rvêiieineiits, de ware oorzaken der gebeurtenissen aangeven; — a rli.'K-un se» l'onrtions, ieder zijne bezigheden aanwijzen; — a qn. 1111 lieu de reilde/.-voiis,

iem. eene piaats van saiueiiKumsi, upgcvcu, — qn., iem. dagvaarden, voor den rechter roepen of dagen.

Assiuii||lah!e, a wat voor gelijkmaking geschikt is; —lateur,a.gelijkmakend; —lation, f. gelijkmaking, gelijkwording, v.; —Ier, v. a. gelijk maken, vergelijken; overeenbrengen; »*—, vergeleken worden.

Assiiiiulatiou. f. veinzing, v.

Assls, a. gezeten, gelegen; voter par — et levé, stemmen door blijven zitten en opstaan; la iiiagistrature —e, 'de gezeten magistratuur (de rechters); mie niaison hien —e, een goed gelegen huis; des impóts bien —. goed ver-

aeeiae uuiasimgeu.

Assise, f. laag van steenen in een muur, v: — de parpaiiig, schuinsche laag, dwarslaag, v.

Assise», f. pl. zitdagen, rechtdagen, m.; ronr d*—, hof van lijfstraffeliike rechtspleging.

Assisütanre, f. tegenwoordigheid (van geestelijke of ambtenaar); bijstand, onderstand, m. hulp, v.;bijeenkomst, vergadering, v.;l'— publique, openbare bijstand; — JudlriAire, kostclooze rechtshulp; — tant. Ante, a. aanwezig, tegenwoordig; hulp...; —tant, m. hulppriester; —tan Is, pl. aanwezigen, omstanders, toehoorders, aanschouwer?, m.; —ter, v. a. (préf. ad et lat. sistere, se tenir)(qn.)bijstaan,helpen, de hand bieden, te hulp komen; —, v. n. (a

qrii.) ergens uij tegen w uuruig /.ij", iet» uijwuuou.

Assori || ation, f. verbintenis, v.; gezelschap van kooplieden: verdrag daaromtrent aangegaan; vennootschap, v.; — d'ouvriers, ouvriére, werklieden vereen iging of —bond; — commerriale, handelsvereeniging; I'— des idéés, de aaneenschakeling der gedachten; — e, ée. a. in maatschappij getreden of aangenomen, medehandelend; —e, m. deelgenoot,compagnon, m.; —er, v. a.(préf. a d et lat. sociare, joindre) iem. deelgenoot, deelhebber maken; verbinden;

(« qn.), zich aansluiten bij ...; »* (nver qn)., met iemand eene verbintenis, een verdrag aangaan; zich met iemand verbinden of associeeren; veel met iemand omgaan.

Assoifle. a. van dorst versmachtend; lig. assoiflV de..., dorstig naar...; —er, v. a. dorstig maken.

Asso leinent. m. verdeeling van het land in akkers, tot wisselbouw, v.; —Ié, ée, a. in akkers verdeeld; —Ier. v. a. (rad. sole) in akkers verdeelen.

Assom hrir, v. a. verdonkeren, somber maken; droefgeestig maken; s'—, v. pr. somber worden; treurig worden; — brissement, m. 1 versombering, verduisteiing, v.

Assom!'mant, e, a. doodelijk vervelend: —iner, v. a. doodslaan (met eene bijl, knots, I enz.); deerlijk slaan; lig. zeer lastig vallen of

Sluiten