is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld is, waar men het sterkst in is; <**e»t ebeval de —. dat is zijn stok¬

paardje; dat is zijn lievelingsargument; — raiigee. geregelde veldslag, m.: — navale, zeegevecht; r lui peau (trlcorne) en —. driekante hoed op /.ij gezet; —Ier. v. n. lig.strijden, harrewarren; — fiére, f. val van een molen, v.; —leur. a. et s. m. strijdlustig; vechter, twistzoeker, kemphaan; —Ion. m. hoop krijgsvolk, m.: bataljon; elief <le —. majoor; éeole «Ie —. exerceeren in de bataljonsschool.

Batard. m. arde, onecht kind; bastaard, m.; :i. lic. onecht, valsch, onwaarachtig: van twee

soorten afstammend (van dieren, planten, enz.); „utree —e. f. dood tij; porie —e. deur of poort van middelmatige grootte, v.; éeriture — e. ou —e. f. middelschrift; —eau, m. dam, kistdam, keerdam, m.; —iére. f. enterij, kweekerij van hoornen, die geënt zijn, v.; —ine. m. onwettige of onechte geboorte, onechtheid, v.

Batave. m. et f. Batavier, Nederlander, iinllniidftr. m. en v.: a. Bataafse!): —viuue. a.

larine —. f. glasdruppel, die in stof uiteenvalt, als men de punt ervan aanraakt, m.

BA té, a. ane —. lig. fam. lomperd, vlegel, liate. f. rand van eene snuifdoos of van een horloge, m.; tinplaat, v.

Ba teau. m. groote schuit of boot, marktschuit, v.; houtwerk aan den bak eener koets;

— a vapenr. stoomboot; — a vapeur a liéliee. scliroefstoomboot; — reiiiorqueur, sleepboot;

— dele»teur. lichter; — de »auvetage. red-

(liiigoooi; — ue iran»pori, vraciusciiuiü, — héte. m. veetransportschip; pont de —x. srhinl u-u ff: lit en —. a —. bootvormig gerond

bed; mi — de table. bootvormige schotel (voor de hors-d'n uvre): (arg.) mouter un — a <|ii.. iem. iets belachelijks wijsmaken; —telage, in. potsenmakerij, goochelarij, bedriegerij, v.; het vervoer van goederen met lichters; frai» de —. transportkosten; —telee.f.lading,vrachtvan eene marktschuit, v.; lig. et fam. zwerm van menschen, m., hoop volks, m.; —teler. v. a. met

„u..:*' .. A- tvi*. 1 -o11 * _!«♦ »n

I-OIIUILCII >CIVUCIOll, lO^ll HiuniM, ••••

schuitje, bootje; —teleur, m. eu»e. f. potsenmaker. potsenmaakster; goochelaar, goochehiüiKtp.r: — Iplipr. m. lére. f. schioDer. sehip-

persvrouw: — tellei ie. f. het vervoer met booten; rivierscheepvaart.

Bater. v. a. (een lastdier) zadelen. Zie Bate. Bat-liliére. m. ijzerdraadslager of -klopper. Rath. papier — soort postpapier; —, pop.

Min. p.hic.

Katiiomètre. m. werktuig om de diepte der zeeën te bepalen.

Bati. m. wijd naaisel, rijgsel; rijgdraad, m.; samenvoeging der voornaamste stukken (van schrijn- of timmerwerk), v.

Batier. m. pakzadelmaker (voor lastdieren). liatifojjlaKe. v. n. fam. gestoei, gedartel; — Ier. v. n. fam. stoeien, mallen, dartelen:

—leur. eu»e. m. et f. die van mallen, stoeien houdt.

liiitiiiiPiit. in. irebnnw: schin.

Batir. v. a. bouwen, stichten, timmeren; lig. — »ur «|eli.. op iets bouwen; zijne hoop op iets vestigen, stellen; uu liouiuie bati a eliaux et a »able. een stevig gebouwd man; voila eoiikuie je »ul» bati. zoo is mijn karakter; lig. —' «mi l'air, — de» ehateaux eu ËMUHffiie. lnr.htkastoelen bouwen: — un »Y-

»téme. een stelsel ontwerpen; fam. — sur Ie devant, dik worden.

Batlr, v. a. met groote. wijde steken voorloopig aaneennaaien (fauliler).

Bati*. m. verzameling van stukken hout, v.; bodem van ingelegd schrijnwerk, m.; — »e. f. bouwing, v.; muurwerk, metselwerk, van een gebouw zelf; une belle —. een fraaie bouw of een fraai gebouw; une — »olide. een stevige bouw; —geur, m.bouwziek mensch, m.: —»oir, m. ijzeren hoepel, m.

Batikte, f. batist, zeer. lijn linnen; — de ('antoii. graslinnen; — d'Keoase, katoenbatist.

Batiture» ou Battiture». f. pl. hamerslag, schilfer van metaal, v.

Baton. m. stok, staf, wandelstok; knuppel, m.; staak, paal, m.; rond lijstwerk; — de eire d'Espagne. pijp lak, v.; — a den* bout», stok, die aan de beide einden gepunt of be¬

slagen is, m.; — 11e vieme»»r. ug. uy ui *1.1, die een grijsaard verzorgt; a —» rouipu», met horten en stooten; faire qeli. a — * ronipu». iets met horten en stooten, ongeregeld doen; niettre (jeter) de» -»dan»Ie»rollen, eene spaak in 't wiel steken, beletselen in den weg leggen; II e»t ven 11 dan» ee pay» Ie — blanc a la iiiain. hij is hier opeenstroowischkomen aandrijven, hij is doodarm in 't land gekomen; ( Ie baton blanc = de pelgrims —. de bedelaarsstaf); inener <|ii. Ie — liaut. iem. streng behandelen; Ie tour du —, ongeoorloofde, geheime winst: — na ge. m. het vormen tot pijpjes of staafjes; het linieeren van papier; —nat.

m. waaraigneia van uen oenen lueruuvuuucui, —nee, f. — d'eaii. steek, pompslag, m. (hoeveelheid water, die de pomp bij eiken slag opgeeft); — ner. v. a. stokslagen geven, met een stok slaan, afrossen; doorstrepen; — de» »erviette». servetten in kleine ruiten plooien; — 1111 gant. ue vingers van een handschoen met een stokje, een rekker, wijd maken, oprekken; —net. m. wipstokje (zekerkinderspel»; —nier. m. bewaarder van een' gildestaf, statdrager; deken der advocaten; —ni»te. m.stokvechter; balanceerder met den stok.

Batrarlioinyoiiiacliie. (pr. trako) f. kik-

vorschen- en muizenkrijg(oua unenscn geaicni;.

Hatrnrien», pi. m. (gr. uairuciiu»; nouille) kikvorschachtige dieren.

Battage. m. het kloppen, het dorschen; dorschloon; het vlaken van de wol; het stampen van het buskruit.

Bat tant. m. klepel eener klok, klopper aan eene deur, m.; vleugel (eener deur), 111.; klink (eener deur), v.; —tant. ante. a. kloppend, slaand; métier—, werkend weefgetouw; porte —e. van zelf toeslaande deur; tochtdeur; pluie —e. slagregen; tout — neuf. fonkelnieuw, splinternieuw, nagelnieuw: tainbour —, met slaande trom: lig. inener qn. tambour —. iem.

met Kracni aanzuiien ui unjvcu, —1. per, straatstamper, m.; alle werktuigen, waarmede men iets klopt, slaat: linnenbeuker of klopper, m.; karnstok; waschbank, waar men

net linnen op uiuuupt eu ««otni, ».,

stok, houten sabel van een' harlekijn; —tee, f. wat een werkman in één keer stampt, klopt enz.; plaats waar de deur tegen aanslaat (aanslag).

Buitte inent, m. slag, m., het slaan, het kloppen; — de» inalii», handgeklap: — d'aile», geklapwiek; — de» vajjue». de nier, aanslaan der golven; — d'une horloge, tikken van eene klok; — du poul», polsslag; - du eceur, hartklopping; -rand,m.