Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien post verkregen; —er, v. a. —er cjrb., kuipen, ijverig werken om iets te verkrijgen; v —eur, m. die naar een ambt of gezag dingt, <1 die door kuiperij iets tracht te verkrijgen.

Brillamiiient, adv. op eene schitterende ^

Brillant, ante, a. schitterend, glinsterend, h flonkerend; fig. levendig, vlug; vroolijk, opgeruimd, blijmoedig; -t, m. glans, luister, m.; zekere diamant, m. fig.; levendigheid, vlugheid, \ Vi; —té, ée, p. et a. glinsterend, schitterend; fig. vol valschen glans; s. m. wit katoen waarin schitterende figuurtjes geweven zijn; —ter, \ v. a. diamanten tot brillanten slijpen; lig. glans t geven— tine, f. soort zijden stof; baardpominade. ., , , . , ^

llriller, v. n. (vieux fr. bril, eclat, lueur; \ lat. berillus, pierre préciease tres brillante) ] glinsteren, flikkeren, schitteren, flonkeren, blin- 1 ken; fig. levendig, vlug van geest zijn. <

Brimade, f. het foppen, beetnemen van ' nieuwe scholieren (groenloopen).

Brim ha Ie. f. gekstok, zwengel der pomp, m.; — balemeiit, m. slingering, v.; — baler, v. a. fam. doen slingeren; v. n. slingeren.

Briinborioii», m. pl. fam. kleinigheden, ■ vodderijen, v.

Brinier. v. a. een nieuwen scholier Deelnemen, foppen.

Brin, m. halm, steel, m.; beentje van een waaier; stukje, grasje, spruitje; beetje, korreltje, splintertje, vezeltje,draadje.pluisje; — <1 lierne, grassprietje; — de paille, stroohalmpje; uil beau — de tille, een mooi meisje; pa» nn — d'amoiir, geen vonkje liefde; pas uil — de religion, geen aasje godsvrucht; im — d'eaperance, een flauwe hoop; boi» de —, hout dat niet doorgezaagd is; — a —, stuksgewijze, een voor een.

Bi-inde, f. toast, dronk op iemands gezondheid; étre dans Ie» —», dronken zijn.

Brin d'ewtoc. brinde»toc\ m. springstok, m. Brindille, f. kleine, dunne twijg, v. Brindezingue», ètre dan» les —», dronken zijn. . .

Bringiie. f. fam. stuk; en —», in stukken; mie grande — de femme, groote, leelijk gebouwde vrouw; une — de f beval, een leelijk paard. . .

Bringtiebale, f. pompzwengel (brimbale). Brio, m. (m. ital.) vuur, gloed (in muziek, literatuur enz.).

Brioche, f. koekgebak van meel, eieren, melk, boter, enz.; tulband, m.; fig. domme streek, m.

Brion, m. voorsteven-knie; mos aan boomen (bijzonder aan eiken); zie bryon.

ItrioMo. adv. levendig, vurig (muziek). Briqiiaillon», m. pl. puin van tichelsteenen. Briqne. f. tichelsteen, baksteen; mopsteen; klinker, m.; — de »avon, stuk zeep.

Briqne||t, m. vuurstaal; vuurslag, m.; korte, kromme sabel (der infanterie): dashondje; battre Ie —, vuur slaan; fig. bij 't loopen zich de enkels stooten; — tage, m. metselwerk; hoop van tichelsteenen, m.; baksteensgewijze pleisterwerk aan een muur; —ter, v. a. pleisterkalk van een muur baksteensgewijze aanstrijken; met baksteenen bestraten; teint bri<|iieté, (bak)steenkleurige gelaatstint; —terie, f. steenbakkerij, v.; ticheloven, m.; —tenr, m. steenbaas; —tier, m. steenbakker, tichelaar; —tte, f. stukken brandstof van kolengruis,klei, turf en run.

Bris. m. het met geweld openbreken; braak, v.; wrak (van een verongelukt schip); droit de —, strandrecht.

Brisable, a. verbrijzelbaar; broos.

Brisant, m. branding der zee, v.; geklots der golven tegen de rotsen of tegen het strand; blinde, verborgen klip onder het water, v. BriHcainbille, zie Bru»qiiembille.

Brise, f. koeltje; bries, v.; koele en geregelde wind op zee, m.

Bri»e*bi»e, f. tochtband, m.

Briwe-eon. m. slechte, donkere trap, v.; trede, waar men gevaar loopt den hals te breken, v.; beter: easse-eon.

Bri^e». f. pl. afgebroken takken, die de jagers in de bosschen werpen om het rechte pad weder te vinden, m.; fig. spoor; voetstappen. m.; »uivre Ie» — de «pi., in iemands voetstappen treden, iemands voorbeeld volgen; aller sur Ie» - de qn., fig. iemand in den weg zijn, benadeelen of ergens in verhinderen. Brifteglare, m. ijsbreker, m.

Brise-image, m. beeldstormer.

Bri*e-laine», m. golfbreker, m.

Bri»ement, m. het breken; het aanklotsen en breken der golven; fig. — de ceeur, diepe droefheid (over zijne zonden).

Bi-tae-motte», m. zware rol om de lanen glad te maken, v.

Bri»e-«», (pr. hrizo) m. vischarend (orlraie). Briner. v. a. breken, verbrijzelen, vernielen; fig. geheel afmatten; het spoor van het wild door gebroken takken ontdekken; (vlas enz.) braken; (wol) kaarden enz.; —, y. n. stranden, verongelukken (van een schip); zich breken (van de golven); fig. - avee qn„ alle gemeenschap met iemand afbreken; — Ie .jong, het juk atwerpen; brisé de tatigue. uitgeput van vermoeienis; henre» l»ri»ee», ongeregelde uren; brisoii» la-de«»u», laat ons daarover zwijgen; laat ons daar een speldje bij steken; se —, v. pr. breken, in stukken gaan of springen; uit elkander geschroefd worden (van werktuigen); toegevouwen kunnen worden (van deuren, vensters, enz.).

Brioe-raifioii, m. fam. rammelaar, kakelaar, ■ onverstandige babbelaar.

Bridf-Hcellr, m. zegelschender,dief, inbreker. BriHP-tout, m. breekal, onhandig nienscli. BriMeiir, m. — d'liHBfes, beeldstormer; , _ de (tel, zontstamper, (die het zout in de

zoutkeeten breekt).

, Brine-ven», m. windscherm; heining, schut. ting, v.

1 BriMiH (pr. li), m. hoek van eene nok, m. Brinkn. m. (mot russe) lichte open reiswagen, m.

i. Urinoir, m. braak voor vlas of hennep, v.; ; (brnie).

BrimiiiP, f. zeker kaartspel; pop. mouws, streep; mie vieille —, een oude soldaat. ; Britmu», m. soort van zeeëgel, m. h Brinure. f. breuk, barst; balk, m„ of keep ; in een wapen, v.; plaats waar de deelen van e toeslaande voorwerpen door scharnieren veri- bonden zijn; ii —8, vouwbaar. i- Brit»iini<|iie, a. (lat. Britannia) Bntsch, i- Engelsch; met al —, Brittannia metaal.

Brui- (pr. blo), m. groote wijnkan, v.; (Ie 1. bric e» «Ie (pr. brokl adv. fam. op allerlei •; wijzen, op de eene of andere wijze; —, braad•i, spit; matiger de — en boiiclie (pr. brok), van liet spit in den mond eten; fig. fnire mie

Sluiten