Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koffie te branden, v.; —lot, m. brander, m. brandschip; lig. stuk vleesch, dat te sterk gezouten of gepeperd is; fam. heethoofd, stokebrand; brandewijn, met suiker op koffie gebrand; — liire, f- brand, m.; brandwond, brandblaar, v.

Bruin aire, m. nevelmaand (van 23 October

ai i^uvemuer;, v.; — Hl, ale, a. wat tot den wintertijd behoort; winterachtig, wintersch; —asae, f. dunne nevel, m.; — awwer. v. imp. een weinig misten; -e, f. (lat. bruma, hiver) dikke mist, zware nevel (op zee), m.; —er, v. imp. misten op zee; —eux, euse, a. nevelig, mistig; fig. somber, duister.

nrun, une, a. bruin; subst. m. man, die bruin van kleur is, of bruin haar heeft; het bruin; bruine kleur, v.; les -s d'uii tableau, schaduw op schilderijen, v.; — rouge, m. gebrande oker; hruue, f. vrouw, die bruin van kleur is of bruin haar heeft; brunette; het val-

y«u ucii uvuna; wur ia —, tegen den avond.

Brunatre, a. bruinachtig.

Brune, f. zie brun.

Bru j| nel Ie, f. berenoor, senegroen, soort van wondkruid; —liet, m. ette, f. a. bruinachtig; subst. hij of zij, die bruin van kleur of van haar is, m. en v.; —nette, f. klein minneliedje.

nriim, m. het gebruineerde, het gepolijste. Brutiir, v. a. bruin maken; bruineeren,'door wrijven glad maken; v. n. bruin worden. BruiiiN||Mrtgp, m. bruineerwerk; bruineering,

■«. uiuiu wuiuenu; — Meur, m. —«euse, f. bruineerder, bruineerster (van zilverwerk); —«oir, m. bruineerstaal, ijzer waarmede men iets glad maakt; —«ure, f. bruinverving; glanzing van goud, zilver, brons enz., v.; het gladde aan de horens van herten of ander wild.

Bruac, m. soort van heide, stekende brem, v.

Bru*||que, a. oploopend, driftig, barsch. norsch, onheusch; schielijk, plotseling; -qiiein. Dille, f. zeker kaartspel; -queiiieiit, adv. op eene barsche, norsche wijze, enz.; eensklaps; —quer. v. a. — qnM iemand onheusch beie-

e-PriPn nn «ano Anlu.cn^AC.^ * • J ,

0_.—. ^ vU.,v unucotuuKc wij£c tegen lemana uitvaren; — une affaire. eene zaak sterk doorzetten; — une place, eene plaats stormenderhand innemen; - (la) fortune, zijn fortuin beproeven; — 1111 navire a réparer, een schip, dat gekalefaterd wordt, van onderen branden; —querie, f. barschheid, norschheid, onheusche bejegening, v.; — quet. tte, a. onstuimig, ruw; a bruMquin —, loc. prov. bij eene lompe vraag past een lomp antwoord.

Brut (pr. brute), ute, a. (lat. brutus, lourd) ruw, onbewerkt; bruto; lig. redeloos, beestachtig; une (bete) brute, een redeloos dier; lig. dom, ruw mensch.

Bruta I, m. onbeschoft, lomp mensch, m.; pop. Ie brutal. het kanon; —I, ale, a. beest-

en uum, —leineni, aav. op eene onbeschofte, beestachtige wijze; — liser. v. a. fam. onbeschoft bejegenen, mishandelen; —lite, f. beestachtige drift; onbeschofte bejegening; verregaande lompheid, v.

Brute, f. zie brut.

Brutier, m. soort van havik, m.

Brutiller. v. a. dom maken.

Bruxelloi», e, (pr. «Moi), uit Brussel; urusselsch; bewoner, bewoonster v. B.

Bruyamiiieiit, adv. niet groot geraas.

Bruyant, ante, a. (rad. bruire) luidruchtig,

bruisend, razend, gonzend; sterk, hard, krachtig (van de stem).

Bruyere, f. hei, heide, v.; heideveld; coq «Ie —. korhaan, m.

Bryon, m. mos (aan boomen).

Bryone, f. wilde wijngaard, m.

liuarie, f. gebit met lange stangen.

BiijtnlIHprip f wacchhnic. m »•

- , .. - I —, .. -uin, III. irir,

t. til) ot zij, die nog ongebruikt linnen wascht en bleekt.

Bubale, m. soort van buffel, m.

Bube, f. klein gezwel, puistje.

Bubon, m. liesontsteking, v.; gezwel, zweer, v. (aan de liesklieren).

Buhoiiorcle, f. liesbreuk, v.

Bucail, m. soort van boekweit, v.

Buearde, f. hartniossel, v.

Blie! Cal. e. a. (hit. hliccn hnnrho\ ha«iuan

tot den mond behoort; — co-la bia!, e, a. tot mond en lippen behoorend.

Bue |cin, (lat. buccina, trompette); —einal ale, a. trompetvormig; —ciiiateur, m. trompettersnier. blaas-, kaaks niPI' V • llAni'nlilQ-inn /Km

de oude Romeinen); —eine, f. trompet (bij de Kom.), m.; horenslak, v.

Bueentaure, m. (gr. bous, bceuf, et fr. centaur e) groot, prachtig schip in Venetië, waarop de Doge voer, wanneer hij met de Adnat. zee ging trouwen; Bucentaurus, m. half mensch en half stier (fabelleer).

Burépliale, m. naam van het paard van Alexander den Grooten; pronk-, staatsiepaard; ironisch: knol.

Brtrlie, f. blok, dik stuk brandhout; kolenblok; fig. dom, onverstandig mensch; buis, haringbuis, v.: dod. teimiM il<> — hinWiwi

(vóór 't examen).

Buelie||r, m. houtstapel, m.; houtmijt, v.; houtschuur, v.; — (runèbre), brandstapel;

— r, v. a. behakken; pop. afranselen; v. n. pop. zwaar werken, blokken; He -, elkaar afrossen;

— roil. 111. OIHl«>. f. hnnthnUfpr m f 1,lmn

hout, afgevallen hout in de bosschen, sprokkelhout; spaanders m.; —ur, m. pop. vlijtig ambachtsman; blokker.

Bucliilles, f. plur. metaalschilfers (bij 't maken van een kanon).

Bueolique, a. (gr. boukolikos: de boukolein, faire paitre les bceufs) herderlijk, dat het herdersleven beschrijft; subst. f. pliir. — herderszangen, m.; pop. waardelooze papieren, paperassen.

Budget, m. becrootinc van de stnat«hphr»pf_

ten, v.; —aire, a. wat de staatsbegrnoting betreft.

Buee, loogwasch, v.; f. uitwaseming, v., damp, m.

BiienoH-ayrien, ienne, a. van of uit BuenosA vros: m. et f., bewoner, of bewoonster, van B.-A. Bil(IV t. m. kas. zilverkas? sphpnktnfpl ünn.

rechttafel, v.; buffet, restauratie, v. (aan de stations); orgelkas, v.; — d'orgup, m. huisorgel; —t«fce, m. belasting op den wijnverkoop, v. (eertijds); —ter, v. a. wijnvaten opsteken (van voerlieden sprekend); -teur, m. voerman, die de wijnvaten, welke hij vervoert, opsteekt, om er uit te drinken; —tier. m. bulTethouder van een station; —tin, v. Biil'fletin.

Ilulfte. m. buffel, wilde na m • hufTalloó».

zeker strijkleêr om te polijsten; 'lig. buffel! domkop, m.

Bulfle Iterie, f. al wat van buflelleèr gemaakt wordt; lederwerk, ledergoed, van de militairen; —tin, m. bulTelkalf; vel er van.

Sluiten