Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

du —* staatsvraagstuk: — d'orgue, orgelkas, v.

l'Allble, m. (bas lat. capulum, corde) kabeltouw, ankertouw; lller du —, het ankertouw vieren; — HOUs-marln, onderzeesche telegraafkabel; — blé, m. gedraaid koord; a. ineengedraaid; —bleau, m. klein kabeltouw, schuitiijntje; tros, m.; —ebaine, m. kettingkabel, m.; —blce, f.kabellengte, v.; —bier. v. a. touwslaan, draaien; —bliére, f' steen aan het «noer van eene hengelroede of een net, m.

t'abo elie. f. schoenspijker met breeden kop; iiude hoefspijker, m.; fam. hoofd, kop: kop (van gedroogde tabaksblaren); katuil (rlieverne); —clion, m. ongeslepen robijn-of granaatsteen; schoenspiiker, m.; nap, narrenkap, v. (zeeschelp).

Cabo»lf»e, f. vrucht van den cacaoboom; fam. buil, kneuzing; —ser, v. a. een bult, buil

matten 111.. • , , .

l'abolt, m. harder (zekere zeevisch), m.; zeker rashondje; — lage, m. (esp. cabo, cap) vaart langs de kusten, v.; -«er, v. n. langs de kust zeilen; —leur, m. kustvaarder, (schip en schipper); —tier, m. ière, f. kustvaarder; —tin, in. rondreizend tooneelspeler; slecht acteur; —tinage, m. komediantenleven; —tiuer, v. n. slecht spelen; een komediantenleven leiden. , ,

Cabouille, f. Mexicaansche agave (elianvre de» Indien»).

('abuulut, m. pop. vuile kroeg.

('abre, f. kraan, hefkraan, v.; bok, m. *• i „ /lot oanrg phiWl'P^ iitirp —

i iimri. y. i». v"*»" . ' • '

mi elieval. een paard doen steigeren; se —,

v. pr. steigeren; ng. opvuugou, up=i,u..o.., worden.

('abri, m. (lat. capra, chévre) jongegeit, v.

4 - i. : i.. f (irion v fr panvinlc: du lilt.

^Huiiunir, i. "• v..,..

capra, chèvre) bokkesprong, luchtige sprong (van een paard of van een danser), m.; —Ier, . „ cnmncrpn Hnpn. Wanrinlen maken:

II. lUUlUgO OJJ. VSWQV... 1 1 -

-let, m. cabriolet, v. (kleine wagen met twee

• • \ li' 1 m < lio niltinoi V *

wieien;; nieine ieuuniB»tuci, u«iu«vvM — eoiiipteur, uurcabriolet; — de place, ge-

l,....P»ntiiirr> llo rófflfi (f«> rPIIIINP.

UUIUIIICIU liuuiwjiuig, B"? '

huurrijtuig van een' stalhouder; couteaua —,

J ... 1 _ ■ t : 11^,^.^., lomniaru

mes, weiKs neem vuur vcibwiuichu^

kan dienen; soort van schoenmakersleest, v.;

—leur, m. luchtspringer.

C'abrions, m. pl. stutklampen achter de affuiten (van een stuk kanon), m.

Cabron, m. geiteleêr, kabretleer.

Cabus, (pr. du) a. m. chou —, kabuiskool, sluitkool, v.

Caca, m. fam. kinderdrek, m.; laire —, poepen (in de kindertaal).

Cacade, f. pop. afgang; fig. smadelijke vlucht, v.

,v> nanonWn V • P«Wtn. V ' VPT.

\ ni nu, lil. v-avawuwvu, » -i • -i .\

—tier, m. cacaoboom, m.; —yere, (pr. o-icre), ou —tiêre, f. plantsoen van cacaoboomen. Cacarder, v. n. schreeuwen als de ganzen. Catatois, Kakatoès, m. kakketoe, kakatoe, v.; bovenbramsteng, v.; bovenbramzeil. Cachalot, Cachelot, m. cachelot,potvisch, m. Cache, f. fam. schuilhoek, m.; net op palen. Caclie-caclie, m. schuilhoekje; jouer a —, verstoppertje spelen.

Cacné, a. verborgen, geheim; geveinsd; esprit —, veinzer.

Cache-entrée, m. sleutelplaatje. Cachectique, a. die wegens bedorven sappen een ziekelijk lichaam omdraagt.

Cacliement, m. verberging, v.

Cacliemire, m. soort van shawl of omslagdoek; kasjemir, m.

Cache-misère, m. overjas om oude kleeren

to KprJpWU'Pii v

Cache-nez, m. halsdoek, winterdas, v, Cache-peigne, m. strik of haarlok (om een haarkam te bedekken).

Cache-pot, m. overtrek van papier enz. over een' bloempot; veiidre du vin a —, gesmokkelden wijn verkoopen; fig. a —, in 't geheim, in 't verborgen.

Caclie-poussière, m. stofjas, v.

Caclier, v. a. versteken, verbergen; vermommen, bedekken; fig. verbergen, ontveinzen;

fig. — sou Jeu, zijn plannen geheim houden; se

i'i qii., v. pr. zich voor iem. versteken ot

.i—. «n, Ho nii 7.iin doen en

VClUCliiCIl, lift- t" I" ' •' ..

° ... • „_j u„: V. Aii/lon aphtor-

aenKen voor ïenuuiu gtiicim «-—•—

houdend zijn; se — de qeli., iets verbergen, iets niet willen weten; je ue m'en caclie pas, ik maak er geen geheim van.

lacneron, m. groi uiuuwuw.

. I. .. A „nnnlmnrr IY1 • 7P1TPI ' VOlltllt.

* nnir «, m. /icgciiiiie, ~ '

open zegel! lettre de -, voormalige gezegelde

. r , • in hpf>htpnis

lastDriei aes Kouiug» *um wuiouu ... te nemen), m.; porter Ie — du genie, net kenmerk van vernuft dragen; avoir un — de

.... .. .1.. .ixk /loftirr an crp-

distniciion, avoir uu —, «vu

. i i i. 1 mi PPI1 7PSTP. 1

maKKeilJK vuuiuuen, wimn i --O —

openbreken; —, abonnementskaart; loc. tam.

courir ie—, ouiiensnuis ie&gevcu, —? wat kost de les ? —tampon, m. kinderspel

(vos in 't hol); -ter, v. a. verzegelen, toeze-

geien; «u pnin « —, uuwcio, v..v «. , —tte, f. fam. schuilhoekje; en —, adv. heimelijk, in het verborgen.

Carlieur, m.eufte, f. verberger; verbergster. laeliexie, (pr. kakekwie), f. (gr. kakos, mauvais; exia, état) ziekelijke lichaamsgesteldheid, uit kwade vochten ontstaande, v.

Caeliiilou(g), m. cacholong, melkwitte opaal, m. , , , _

Cachot, m. gevangenis, v.; kerker, m.; donker gat of hoi, hok.

° ... • ... i„ .. „ .„l,n,l„i,lnn,)» ili nirpn VP1'-

i acnoi ;ier, v. «. unucuumumv ... bergen; - terie, f. fam. fig. geheimzinnig gedrag tiur ii>ro a. hii of Zll. die

111 MCllil(5UCUOH, —— ~V --

van nietige dingen geheimen maakt.

Cacliou, m. cachou (zekere gom), v. Cachucha, (pr. tchou tclia) f. Spaansche dans, m.

Cacique, m. titel van Mexikaansche vorsten, m.; opperhoofd van een' stam van Amerikaansche wilden.

Cacis, zie cassis.

Caco cliylie, f. bedorven spijsvertering, v.;

-.1. 1/ o 1/ n c mnnvaisï P.humOS.

—rilymr, a. ve1- ... , ----- >

suc) ongezond, vol van bedorven vochten; tig. wonderlijk, grillig; —chyinie, f. bedorven staat der vochten in het menschelijk lichaam, m.; —démon, m. booze geest, m.

Cacol!«rapl»ie, f. (gr. kakos, mauvais; graphei n, écrire) gebrekkige spelling, v.; oefening ter verbetering, v.

Cacolet, m. draagmand voor gewonden (in 't leger), v. .

l'arol!logie, f. (gr. kakos, mauvais, logos, discours) gebrekkige, foutieve zegswijze, v.; — plionie, f. (gr. kakos, mauvais; phonê, voix) wanluidendheid, v.; — phonique, a. wanluidend.

Cactées, f. pl. plantengeslacht, waarvan de cactus de type is.

Sluiten