Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cactier ou Cactus (pr. tiice), m. cactus (zekere plant), m.

C.-ïi-d. = rVMt-a-dire, dat wil zeggen, namelijk.

CadaH|[tr.->gp, m. opneming van de belastbare goederen, v.; -tral. e, a. wat tot het kadaster behooit; —d e, m. erfregister, schattingsregister: kohier; — trer, v. a. een schattingsregister of kohier opmaken.

CadallTérrtix, enne, a. lijkkleurig, doodsch; —v«Tii|iir, a. wat het lijk betreft; autopnie-, lijkschouwing; — vre, m. (lat. cadaver, de cadere, tomber) dood lichaam, lijk.

Cade, m. Kranscheinhoudsmaat vanlÜOOliter.

Cadeau, m. geschenk; (vroeger) sierlijke

UVglllltbICI .

(adt-dis ou cadediou, vloek der Gasconjers.

v. a. van oicuijkc Kruuen voorzien.

( ikImihI», m.(lat. catena, chaine) hangslot; —user, v. a. met een hangslot sluiten.

Caden||ce, f. (ital. cadenza; du lat. ca de re, tomber) maat, zangmaat; welluidende overeenkomst van de deelen van een' zin, v.; toonval (in de muziek), m.; dansmaat; kunstmatige beweging, v.; gelijke stap (van een paard), m.; —eer, v. n. wel afpassen, schikken, vloeiend maken, naar de toonmaat regelen; — aen periodes, v. a. de volzinnen behoorlijk schikken, aangenaam voor het gehoor maken.

Cadèiie, f. ketting, m.; galeiketen, v.

C'adenette, f. lange haarvlecht, v.

Cade||t, m. el te, f. et a. hij of zij, die de jongste van twee broeders of zusters is; de

uiucwi . u*? jung&ie zusier; 11 eni moii — de quatre ans, hij is vier jaar jonger dan ik; fig. c'est Ie — de mes soueiM, dat is mijn allerlaatste zorg; —t, m. weleer: kadet (jonge edelman, die voor den krijgsdienst wordt

uhöciciui ivwcciveiiii^ up eeue Krijgsscnooi); doorbrenger; mi — de liaut appetit, lichtmis van goeden huize.

Cadet || te, f. het kleinste der twee groote biljartkeus: vierkant gehouwen vloersteen, m.; —ter, v. a. met zulke steenen beleggen.

Cadi, m. kadi (Turksche rechter).

CadiM, m. soort van serge (wollen stof), v.

Cadmie, f. cadmia, ovengalmei, v.

Cadmium (pr. ome), m. kadmium, een blinkend wit metaal.

Cadugan. Catogan. m. korte en dikke haarvlecht achter aan het hoofd, v.

Cadole, f. klink eener deur, v.

Cadran. m. zonnewijzer, m.; wijzerplaat; faire Ie tour du —, twaalf uren achterelkaar iets doen (slapen vooral); —, schroef der diamantslijpers, v.; ziekte aan boomen (splijting

ucii otaui;, v., — ut-, ,1. gtJKunKera, gespleten (van boomen); — nerie, f. winkel van zee-in-

uuicuteii, in.: KompasmaKerij, v.; —miure. f. ziekte van oude boomen (splijting van den stam); zie eadran; -nt, zie Cadran; -t, m. quadraat, (boekdr.); —tin, m. vierkant, van 2 cijfers breed (boekdr.); —ture, f. verzameling der stukken, die de wijzers enz. doen loopen, wijzerwerk.

Cadre, m. (lat. qua drum, carré) lijst (eener schilderij), v.; paneel; raam (om papier te maken); fig. omlijsting: plan (van een werk); het kader,stamboek (van een leger); bed,aanboord van schepen.

Cadrer, v. a. een vierkant, lijst of raam maken; v. n. — avee qcli., passen, voegen, overeenkomen, uitkomen.

Cadu||r, uqiie,a.(lat.caducus; decadere, tomber) vervallen, oud en zwak; bouwvallig: fig. broos, vergankelijk; mal—, vallende ziekte, v.; leg* —, Mueeession —que. vervallene erfgift, legaat; voix —que, krcichtelooze stem, v.

Caduoce, m. (lat. caduceum) staf van Mercurius; staf des vredesgezanten, m.; porter lc —, fig. vrede aanbrengen.

Caducitê, f. zwakheid, afgeleefdheid; bouwvalligheid, v.; het vervallen van eene erfenis of van een legaat.

Cadureien, ienne. a. (lat. Cadurci, peuple qui habitait Cahors et ses environs) van of uit Cahors; m. et f. bewoner, bewoonster, van Cahors. Ook: Calioi'Miii, CaliorNine.

Ca* cal, (pr. re) a. tot den blinden darm behoorend; —rum. (Dr. «Wnine). m nnt

ca;cus, aveugle) blinde darm, m.

CaennaiM, nitte (pr. kane), a. van of uit Caen: m. et f. inwoner, inwoonster, van Caen. Cafarlld. arde. a. ceveinsH. sphiinhpiiio-- m

et f. huichelaar, huichelaarster; klikspaan: rouwkever; kakkerlak; dama* —, halfzijden damast; —der, v. n. schijnheilig handelen; klikken; — derie, —diwe, f. geveinsdheid, huichelarij, v.

Café, m. koffieboon, koffie, v.; koffiehuis: rótir, hrrtler Ie —, koffieboonen branden: inoudre Ie -, koffie malen; faire du -, koffie zetten; prendre Ie —, koffie drinken:

HU l<t if. 11 I» <•!'<>■ tl O tnf'fio mot moll,.

ii l'eau, piir ou noir, koffie zonder melk;' — cliantaiit, —concert, een koffiehuis, waar muziek gemaakt wordt.

Café||ïforiiie, a. op koffie gelijkend; -ier ou Caller, m. koffieboon), m.; koffieplanter, eigenaar eener koffieplantage; —iêre, Cai'cyère. f. koffieplantage, v.; -ine, f. stikstofhoudend onzijdig bestanddeel der koffie; — jardin. m. koffietuin, m.; —restaurant, m. koffiehuis, waar men tevens eten kan.

Cafetan ou mdan m 7pWpi> v.;;

de Turken.

Cal'e || tier, m. koffieschenker; koffiehuishouder; —tiere. f. koffiepot, m.; koffiekan, v.

Caller, zie eaféier.

Cafre, a. uit het Kafferland; m. et f. Kaffer: Kaflerin.

Caftan, zie cafetan.

lage, f. vogelkooi, v.; hok, kooi (voor wilde dieren); vischkooi; fig. gevangenis, v.; eng vertrek of huis: d« vier hnitpnmnrpn var» oo.i

gebouw, m.: kas, waarin het werk van een uurwerk besloten is, v.; klokkehuis; kas van een' windmolen, v.; muurwerk, dat een trap omsluit; mars (plat om den bovenmast), v.; vliegenkast, tralie (aan een venster); glazen stolp, v.; inettre qn. en —, iemand gevangen zetten; ètre en —, gevangen zitten; prov. la belle — ne noiirrit pa» l'oiseau, van een fraai huis alleen kan men niet leven.

Cagée, f. kooi vol, v.

Ca lEette. f. kleine knni. v- —irior m lom

die vogelkooien maakt of verkoopt.

Cagnllard, arde, a. (rad. cagne) lui, vadzig; leeglooper, dagdief; —ard, m. zeildoek, in het want gespannen, om achter te schuilen, v.; —ariler, v. n. fam. leègloopen, luieren; <» acagnarder); -ardi»e, f. fam. luiheid, vadzigheid, v.; —e, f. lui, verachtelijk mensch;

euse, a. met binnenwaarts gebogen knieën of beenen, krombeenig; —ot, m. rob, zeehond (eliien de mer).

Sluiten