Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—de, a. op calcium gelijkend; — fére, a. koolzure kalk bevattend: —lier, v. a. verkalken; —flention, f. verkalking, v.

Cnlrillii, (lat. calx, calcis, chaux) m. door gloeiing verkalkte of geoxydeerde zelfstandigheid, v.: metaalkalk, m.; glasgruis, (rHHMOii); — nabililé, f. oplosbaarheid tot kalk,

V • llukla o ln.,t I... n

"cn, 6ibu xaau varuuien; — nation, f. verkalking, v.; —ner, v. a. verkalken; verschroeien, verbranden; —urn (pr. eio-me), m. calcium, kalkmetaal.

Calcul. m. (lat. calculus, caillou, paree

VJV.V- ..m-iuiiiiciiicui uii cumpuui avec ae petits cailloux) rekening, uitrekening, v.; het graveel; de steen, m.; — diflVrenticI, differentiaalrekening; — mental, rekenen uit het hoofd; erreur de -, rekenfout; fig. overdacht plan; berekend middel; les —s «Ie l'intérèt, de be-

Mi.iuiicu van ue uaaxzucm; cie —iait, welberekend; sauferreur de —, behoudens abuis; - hiliHire. galsteen; — urinnire, blaassteen.

taleul able, a. wat zich laat berekenen; —ateur, a. et s. m. trice, f. rekenaar, rekenaarster; —er, v. a. uitrekenen, berekenen, o verrekenen; —eux, en we, a. steenachtig, gruisachtig; subst. mi -eux, iem. die lijdt aaneen (blaas- of gal)steen.

Calé, e, a. fam. rijk, in goeden doen.

i^aie, r. net onderste van een schip, ruim; bocht, m.; sluiphaven, v. (calniique, (Tinne); hellende oever aan de zee, m.: houtje onder een voorwerp (om het vast te zetten); lood aan het snoer van een' hengel; kielhaling (voormalige zware straf op schepen), v.; I'ond de —, onderste scheepsruim; fig. fam. il est a fond de —. hij is geruineerd; — de carêne, — de ronstructioii, helling; — au vin, achterruim; — h leau, waterruim; dunner la—, kielhalen.

Calellbasse, f. kalebas (soort van pompoen), v.; kalebasflesch; smeltkroes (cubilot): afgevallen onrijpe pruim, v.; —bannier, m. kalebasboom, m.; — bot in, m. korfje, garenkorfje der schoenmakers (naiiit-crepin).

^aiecne, r. ucüte open koets, kales, v.: vrouwekap.

Calej|c<»ii, m. onderbroek, v.; — de bain, badbroek; — de nabeur, zwembroek; —connier, m. die onderbroeken maakt.

l'alédoiiieii, ienne, a. Schotsch. Calélac||teur, m. verwarmingstoestel, m; —tion, f. (lat. calefacere, chauffer) warmmaking, verwarming, v.

] Caleidon eope, m. beeld- of tooverspiegel, kaleidoscoop, m.; — eopique, a. het spel van den tooverspiegel vertoonend.

(alein bour, m. soort van woordspel; —. hoorder, v. n. woordspelingen maken; — bourdier, m.dière, f. — bour(g)inte, iem. die graag

M-i-K-iT-rlt-nol; r, l_ .. . ^ . V

u Uk • • ■ 6 iiiaaiwi», — IIUIiriMllilllie, I. nei-

hebberij in 't maken van woordspelingen, v.

C alenibredaine. f. fam. belachelijk praatje.

taleiiear, Calenras, m. gedrukt lijnwaad uit Indie.

talen || der (pr. laiidêre), m. kalender, m. (Turksche of Perzische monnik).

Calendes, f. pl. (lat. calendse) eerste dag der maand bij de Romeinen, m.; vergadering der landgeestelijken van een kerspel bij hunnen bisschop, v. renvoyer qn., qoli. aux — grecques, een tijd aanwijzen, die niet komen zal, (de Grieken hadden geen kalenden).

Calendre, f. zwarte korenworm, m. (clntraiifon).

Calendrier. m. (lat. calendarium, de calendas, calendes) maand- of dagwijzer, almanak, m.

Calentlirp. f. hpptA lrnni*+o nnrlae /In »«/.

-j -• uo zeelieden, v.

Calepin, m. oud vermaard woordenboek in elf talen; aanteekenboekje; fig. inettez eela sur votre —, neem dat ad notem.

Caler, v. a. een steentje of spaantje onder iets steken, om het recht te doen staan; — les pieds d'uiie table, iets onder de pooten van eene tafel steken, om ze vast te zetten; — 1* yoile, het zeil neèrlaten, strijken; v. n. Ie batiinent cale trop, het schip gaat te diep; — qn., iem. kielhalen; —, pop. terugdeinzen, niet dnrven.

Calfait, m. kalfaatijzer.

Calfa |t, m. breeuwer, kalfateraar: —tage, m. het kalfateren, het daartoe gebruikte werk;

—ter. V. a. PPn finhin Hifh* m-iL-on Kroon

kalfateren; —teur, m. scheepslapp'er, scheepslapper, scheepskalfateraar.

Calfeul!trage, m. kalfating, v. (het stoppen of lappen van schepen); werk, daartoe benoodigd, —trer, v. a. scheuren of reten aan vensters enz. stoppen of toeplakken: fam. se —, v. pr. (chez noi). warmpjes thuis blijven. Cali||brage, m. het bepalen der geschut-

wiidte: —hr#» m mnntafnf vnn miHHoli;;» ar.

doorsnede van een lichaam, m.; vorm of wijdte van een stuk geschut; dikte of grootte van een kogel, v.; omvang van eene zuil, m.: fig. fam. slag; soort, v.; ètre d un bon —, d'uif iiiauvals —. van croed. slecht, e-phaltp. 7iin? —kror

v. a. op den vorm of de wijdte maken, de wijdte meten (van een stuk geschut).

Calice, m. Hat. calix, du gr. ka lux) kelk (bij het avondmaal); bloemkelk, m.; fig. il a bu Ie — jusqu'a la lie, hij heeft den lijdenskelk tot op den droesem geledigd. Caliriforine, a. kelkvormig.

(alicot, m. (rad. Calicut, nom de ville) soort van katoen; — pour cheinise, shirting; fam. un —, een elleridder.

Cali"fat, m. waardigheid eens Kalifs, v.; Kalifaat; — fe ou — phe, m. (ar. chalifa, vicaire) Kalif (Mohammedaansr.h cpp.st.pliit

vorst).

Californien, ienne, a. Californisch, van of uit Californië; s. m. et f. Californiër; Californische vrouw.

Califourrhoii, adv. a —, schrijlings; étre a — sur un baton, op een stok rijden.

('aliffP. f. rlat.. P.aliirsil cnhnoicol rlur

soldaten.

Calin, m. soort van metaal voor theekisten, uit tin en lood samengesteld (in China).

CAlin, e, a. vleiend, flikflooiend; s. m. et f. vleier, vleister; —er, v. a. vertroetelen; se —, v. pr. zijn' tijd werkeloos doorbrengen, zijn gemak nemen; —erie, f. fleemerij, v.

Caliorne, f. gijntouw; jijn (op schepen), v.

Calisson, m. amandelkoek, m.

Calleux, euse, a. eeltig, hard.

Calligra || plie, m. schoonschrijver, naschrijver; — pllie. f. Cffr. ka 1 lo s . hpantp» rrrnnh<\ iV»nriek

schoonschrijfkunst, v.; naschrijving, v.; —pliique, a. wat op het schoonschrijven betrekking heeft.

Callistbenie, f. het gymnastiseeren door meisjes.

Callosité, f. eeltachtigheid, vereeltheid, v.; wild vleesch.

Sluiten