Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

euse, a. met zinkingen gekweld, zinkingachtig.

('atastroplie. f. (gr. kata, en bas; strephö, je tourne) treurig eind van een gedicht of van een treurspel; fortuinswending, v.; groot ongeluk.

Catau, f. slet.

t'até||cliêse, f. geloofsonderwijs; —ehète, m. geloofsonderwijzer; — eliétique, f. tot de loer van den catechismus (het mondeling onderwijs) behoorend; — chiser, v. a. (gr. katèchêsis, instruction) in de geloofs-artikelen onderwijzen: fig. goed onderrichten.

Catécliisllnie, m. onderwijs in de geloofsartikelen; het boek dat ze bevat; catechismus, m.; faire le — a qn., lig. iemand onderrichten in hetgeen hij doen moet; —te, m. geloofsonderwijzer, catechiseermeester; — tique, a. met de geloofsartikelen overeenstemmend.

('atêrliuiliiiéiiat (pr. ku), m. tijd, dien men in het Christengeloof onderwezen wordt, m.; —inèiie (pr. ku), m. et f. (g. katêchoumenos, instruit de vive voix) hij of zij, die in het Christengeloof onderwezen wordt, catechisant.

('atêgo||rie, f. fig. klasse, v.; vak, soort, slag, categorie; — rique, a. bepaald, beslissend: une reponse —, een beslist, helder antwoord; — riqiiemeiit, adv. op besliste, heldere wijze, beslist.

('artliartique, a. zuiverend, afleidend (geneesk.).

('atliédra (Ex), adv. van den zetel, leerstoel.

('atliedrale, (f. lat. cathedra, chaire)

• irliao —. rlnmk-p.rk. hnnfdkprk. v.

('atliérétique, a. licht bijtend; s. m. licht bijtend middel.

('atliête, f. cathetus, m. (loodlijn, die op eene andere lijn of op een vlak valt). < ntliéüter (nr. tere), m. blaaspeiler, m.

(kromme buis, waarmede men de waterloozing bewerkt); —térisine, m. wateraftapping, v.

( atliolilrisme, m. Roomsch-katholiekgeloof; —rite, f. Katholieke kerk, v.; rechtgeloovigheid, l ichtzinnigheid der leer, v.; —con. m. algemeen geneesmiddel; —que, m. (gr. kat ho lik os, iiniversel) algemeen; katholiek; fig. eela u'est |)hn —, dat is niet zooals 't behoort; —que, m. et f. hij of zij, die het Koomsch-katholiek geloof belijdt; fourueau —, fornuis; oven, m.; cadraii, gnomon —, zonnewijzer voor iedere poolshoogte, in.; roi —, zijne Katholieke Majesteit (koning va>i Sn:inifth —uiipiiiptfit. adv. voltrens de leer

der Koomsche kerk; — sation. f. het katholiek-worden; —ser, v. a. tot het catholicisme bekeeren.

('ati, m. toebereiding en glanzing van wollen stoffen, v.; glans van het persen, m. < ;itiliii;iiri> t'. Catilinische redevoering (eene

der vier vermaarde redevoeringen van Cicero ti'gen Catilina); hevige redevoering tegen iem. gericht.

( atillae, Catillard, m. groote, late stoofpeer, v.

( atiniini, (en —>, adv. fam. in het geheim, tersluiks.

('atiii, f. pop. lichtekooi.

1'atin, m. ontvangbekken, voor 't gesmolten metaal.

('atir, v. a. laken of andere stofTen persen of glanzen; verguldsel aanbrengen.

t'atiailseur, m. perser ofglanzer: — «oir, m. vuurpan der wolfabrikanten, v.; mesje der vergul ders.

( atogan ou t'adogan, m. opgerolde haar¬

vlecht, v. (door de Fransche infanterie tot 1792 gedragen).

Ca || ton, m. zeer wijs man; zeer ernstig, streng

zedig mensch; — tunien, ne, a. deugdzaam, gestreng.

i'atoplltrique, f. (gr. katoptron, miroir) spiegelleer, v.; —trouianeie, f. spiegelwaarzeggerij. spiegelwichelarij, v.

Caucasieii, ienne, ou C'aiicasique, a. Kaukasisch; m. et f. Kaukasiër; Kaukasische vrouw.

('aulloheuiar, m. nachtmerrie, v.; fig. schrikbeeld, spook.

Caucher, m. boekje om er blaadjes goud in te leggen.

Caueliois, se, a. uit Caux; bewoner, bewoonster van Caux.

C'aulldal, e, a. (lat. eau da, queue) wat tot den staart behoort; — dataire, m. sleepdrager; —dé, a. gestaart, staart...; f—debee, m. vilten hoed, m.

Caudex, m. stam, tronk, stengel, m.

('audities, fourclies C'aiidines, Caudijnsche vorken (bergengte in Italië); fig. passer sous les f. C., harde, vernederende voorwaarden moeten aannemen.

Caudrette, f. soort ophaalnet.

Caulesccnt, a. stengelvormend.

Cauli||cole, a. op stengels groeiend; — rule, f. stengeltje; — fêre,a.stengeldragend: —flure, a. met bloemen aan den stengel; — forme, a.

stengeivormig; — naire, siengeisuuiuig.

Cauris, Coris, m. kleine schelp, waarvan men zich in Afrika in plaats van geld bedient, 25000 = 24 gulden.

Caullsal, e, a. (lat. eau sa, cause) oorzakelijk; —salité, f. oorzakelijkheid, v.

Causaiit, ante, a. fam. die gaarne praat, praatzuchtig.

Caiisatilll',ive,a.redengevend; coiijuiirtiun — ve, redengevend voegwoord; — veineiit, adv. ter oorzake; als oorzaak handelend.

Cau||se, f. (lat. eau sa) oorzaak, v.; — llnale, eindoorzaak, einddoel; beweeggrond, m.; zaak; partij; rechtzaak, v.; pleitgeding; lig. avoir gain de —, gewonnen spel hebben; domier K*iii de —, een proces winnen voor iemand; •jok: gewonnen spel geven; sa probite u'est pas en —, aan zijne eerlijkheid wordt niet getwijfeld; parler (agir) en roniiaissanee de —, met kennis van zaken spreken (handelen); en tout état de —, in ieder geval, ten allen tijde; faire — commune avee qn., gemeene zaak met iem. maken; prendre fait rt — pour qn., iemands partij op zich nemen;

les ayams —, ae reciiLiicuuciiucn, «■

prép. om, uit hoofde van, wegens; a — que, conj. omdat, dewijl; pour —, adv. om reden; —ser, v. a. veroorzaken, te weeg brengen; —ser, v. n. praten, klappen; —serie, f. gepraat, geklap; -sette, f. fam. gekout; -seur, m. euse, f. prater, klapper; praatster, klapster; —seur, euse, a. praatachtig; —seuse, f. canapé (voor twee personen).

Causllticité, f. scherpe, bijtende kracht, v.; fig. kwaadaardige bedilzucht, v.; —tique, a. (gr. kaustikos, qui brille) brandend, bijtend; fig. bijtend, spotachtig, scherp: —tique, m. bijtend middel; —, f. soort van kromme lijn, v.

i-Cautèle, f. (lat. eau te la; de cautus, prudent) voorzichtigheid, behoedzaamheid, list, v.

('autclHeusement, adv. loos, listig; — leux, euse, a. loos, listig, doortrapt.

t'autêre, m. (gr. kautèrion) bijt-of brand-

Sluiten