Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( ha land, m. -lande, f. klant (beter: cliënt, pratique); -land. -lan, m. lange schuit, v.; — a leut, ballastschuit; —land, a. m. pain —, soort van hard gebakken wittebrood: — landine, f. nering, klandizie, v. Clialaze. f. (pr. ka), hanetred, m. (in een ei), l'halrograilplie (pr. kal), m. plaatsnijder,

ffPüVPiir' —nliiu t>ti- L . I i f *

0—.— , ■'•••*< vi-" i. piuaLsuijKunsi, gra¬

veerkunst, v.; verzameling van kopergravures, v.

Chnlldnïque (pr. kal), a. chaldeeuwsch; —drrn, i'enne. a. Chaldeër, m.; Chaldeesche v., (halo. m. shawl, omslagdoek, m.

Chalet, m. kaashut (in de Zwitsersche Alpen) v.; houten landhuisje; — de iicreMHilo, openbaar privaat.

Cha|ileiir, f. (lat. calor) warmte, hitte, v.; fig. ijver, m.; vuur; groote drift, v.; — leureux, euse, a. heet, van heeten aard (van menschen); vol vuur, gloed en leven; — leureu»emeiit, adv. met vuur, gloed en drift. fCbalit, m. bedstede, v.; ledekant.

C'haloir (lat. calere, avoir de la chaleur), v. schelen; il ne men eliaut. pen 111' en eliaut, het kan mij niet schelen, het raakt mii niet. J

Clialon. m. groot vischnet; soort van wollen stof, v.

( ha jou pe. f. (holl. sloep) sloep, (roeivaartuig); barkas, v.; — eanomiière. kanonneerboot, v.; —per, v. n. in een sloep varen; —pier, m. sloeproeier.

('haiuüiiieau, m. (!at. calamus) pijpje, tuitje; halm, m.; herdersfluitje; fluit van eene zakpijp, v.; blaaspijpje der goud- en zilversmeden, soldeerpijpje; lijmstokje (om vogels te vangen); —met, m. eindje pijp; mondstuk eener PUP- —ner, v. a. fam. drinken, zuipen.

Clialut, m. visschersnet.

C'hamade. f. tromslag, m.; trompetgeluid, (waarmede men dpn u'oncfhnm

' . , —" ■■ v.ovii uu. n, uuuci iiaiiucicii

of zich over te geven te kennen gaf): battre, Homier la —, zich overgeven.

Chamailler, v. n. et se -, v. pr. fam. vechten, in het honderd slaan; fig. met elkander twisten of strijden.

Cliamailli». m. fam. gevecht in het honderd; luidruchtige twistpartij, v.

i'haiiiarllrer, v. a. (v. fr. chamarre, simarre) iron. beleggen, bezetten (met gouden of zilveren passementen); —mre, f. opzichtig boordsel (met gouden of zilveren passementen).

C'hambellaii. m. kamerheer; maarschalkstafel, v.; grand —, opperkamerheer.

ihainbertin. m. goede soort van bourgognewijn, m.

Cliambourin, m. valsche kristalsteen, m. 1 liatnbraiile, m. lijstwerk, houten snijwerk aan deuren, vensters, enz.

t'liainilbre, f. kamer, v.; vertrek; koningskamer, v.; tot den kamerdienst behoorende hovelingen; naam van verschillende rechtbanken enz.; - haute, de» Pair», de» Lord», hoogerhuis; — ba»»e, de» C ommune», lagerhuis, huis der gemeenten (in het Engelsche Parlement); Ie» deux —», de beide kamers (le en 2e); — de» deputc», kamer der afgevaardigden; — arden te. halsgericht, bloedgencht, veemgericht; — a cour lier. slaapkamer; — i1 eetkamer; — d'ami. logeerkamer;

valet de —, kamerdienaar; femme de —, kamerjuffer; robe «Ie —, kamerjapon; de» pomine» de terre en robe de aardappelen met de schil er om; travailler en —, in zijn

eigen huis werken voor een ander (van een handwerksman); pot de —. waterpot; faire la de kamer doen; garder la de kamer houden . WKfrpns •/ i o 1/1 o «!*»♦ 1, —

i , ^—o""*" mei ivuiiucu nil^auii; —

garnie. gemeubileerde kamer; - a Inner ! kamer te huur- — «an».. i,....;»i.~~, *

-- — • 1 « *«lll"ll , MUHKiVllltl

van het geschut; — d'une êrluse, ruimte tusschen de twee sluisdeuren; —-ob»eure, f. camera obsrura, v., donkere kamer, v.; camera obscura: —brée, f. soldaten, die in dezelfde kamer of tent te zamen wonen; zaal vol menschen (bij tooneelvoorstelling of concert); — brelan, m. handwerksman, die binnenshuis werkt; —bré. a. gekamerd; mie pièce —êe, een kanon met holten en deuken: — brer, v. n. te zamen wonen en leven (van soldaten); —, v. a. qn. iemand in eene kamer opgesloten houden;—qn.

. — «vee qn.), met iemand in een afzonderlijk vertrek gaan om met hem te spreken enz.; — une geile, een' zadel hol maken op dt* plaats, waar het paard er door gedrukt wordt; — brette, t. fam. kleinekamer, v.; kamertje: — brier, m. kloosterverzorger: (weleer) intendant van 's konings kamer: -brière. f. kamenier, v.; lange zweep (in eene rijschool), v.: gaffel-steun, m.; houten kandelaar, der wagenmakers; ijzeren

houvast* strnn m • „ '1.1 •

— ; """f, —■'■■■■wil, ui. pup. Kiemt'

dienstmaagd, v.; —bri»te, m. bewoner eener

Ciiameau, m. (lat. c a m e 1 u s) kameel, kemel, m.: scheenskameel: ^nrrr i chiriant ri;Q i;,i

van 't corps, varken.

iiiamelier. m. kemeldrijver.

C'liainelle, f. wijfjeskameel; kameelkoe, v.

( llMIIIIH M m wiMo n-oit .mm,. . t........

n_, ^ gcuio, v., «urnu

de) —, zeemleer; soort van izabelkleur, v.:

*• tuu ui ais zeemieaer oereiden:

— MPriP f Inniorii iran .. .

.. ,mi «.cciiiicuci , v.; zeeinlederhnnrlpl m • rr» inninn j

"vu., in. IUUICI KJ 1 UCI C1UCI

van tccuucuci .

Chamouitier, iêre ou 1'liaiiioiiieii, ne, a.

van of uit Chamouni.

(Iiatnp. m. (lat. campus) akker, m.; land. veld; gebied; achtergrond eener schilderij: grond waarop men schildert of graveert, ni.: veld (van een wapenschild); le — d'une lunette, het gezichtsveld (van een kijker); lai»»er le libre, uit het veld wijken; — clo», besloten tournooiveld; - de bataille, slagveld; — du repo», kerkhof; — de cour»e», renbaan; prendre du —, ruimte nemen tot een' aanloop; a tout bout de —, adv. gedurig, om een haverklap; a —, uit de hand, al strooiend, (bij het

• "j,,*te,-"v'¥ciD«'<5iiiiig vuunetpiaausenaer zaadkorrels in putjes of kuiltjes); de —, adv. liggende, waterpas, (van steenen of balken): miir-Ie—. adv. terstond, op staanden voet; — de Mar», oorlogsveld; ehamp ou eliaut (lat. canthus, coin d'un objet), smalle kant van een voorwerp; mettre, po»er de —, op zijn kant leggen (een' balk); roue de —, kroonrad (in een uurwerk); -s, m. pl. het platte land, vrije veld; battre aux —», den veldmarsch slaan (om op te rukken of ter eere van een areneraal of vnrst\> fin- ■»<»««.... .... „...

O -• -- ■ -■—/, "r- ""ruir 1|II. (1(1» —

iemand tergen, boos of toornig maken; — ètre

HIIX — M. Hriff iir Kaad wa»!/.... —i. . „r.

- nuiucii, uuiv ; aiwc/,1^

zijn met zijne gedachten; inniNon dm

landhuis: ilnmivr lu «ur .. ,i„

, ■■■•»-■ •«» ur^ —b, uc v i ij iiclu

geven; prriiilrr la clcf de» uitgaan,

l/l nr-kloii • ~ ■*«. • 9 . '

hijbith, r^iav»ien». eaysiscne velden, de hemel der zaligen; deineurêr au*

«une», up l uuiu wonen; courir les —»,

Sluiten