is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cierge, m. (lat. cereus; de cera, cire) waskaars, die men in kerken gebruikt, v.; drolt rouiiiie mi —, kaarsrecht; fig. il doit un beau —, hij mag wel dankbaar zijn: — durerou, fakkeldistel (soort cactus).

Ciergier, m. maker of verkooper van waskaarsen.

Cigale, f. (lat. cicada) cicade,krekel,m.: — «Ie nier, soort van z.eekreeft, m.: —, ankerring.

Ciga || re, m. (esp. cigarro) sigaar, v.; — rette, f. sigarette, v.

£'S©Ngne, f. (lat. ciconia) ooievaar, m.; eontes de la —, praatjes voor de vaak; — giieau, m. jonge ooievaar, nrt.

t'iguë, (lat. cicuta) scheerling, dolle kervel, vi* giftdrank, die daarvan gemaakt is, m.; — vireuse, waterscheerling.

CMnelus, e, a. hiernevens, hierbij ingesloten.

Ci-joint, adv. hiernaast, hiernevens, hier bijgevoegd.

Cil, m. (pr. elle) Hat. cilium) nno-hnnrfiA

('iliaire, a. met ooghaartjes bezet.

t'ilice, m. (gr. ki lik ion, étoffe de poil de chevre fabriquée en Cilicie) hemd van garen en paardehaar gemaakt, boetekleed, boetehemd. Cillé, ee. a. met (oog)haren bezet.

Ciljndre, zie 1'yliiidre.

Clliiidrique, zie C'ylindriqiie.

Cilleinent (pr. ci-iement), m.hetknipoogen. C'lller (pr. ei-ier), v. a. (Ie» veu\. les paupieres) gedurig met de oogen'knippen. knipoogen; een valk blinden; v. n. grijs boven de oogen worden (van paarden).

1 iinaise ou Cyinaise, f. hol snijwerk, aan eene kroon- of deklijst

C'linllbale, zie Cymhale; — halee, zie ( yinhalee.

flmbriqiie, a. Kimbrisch: m. et f. een Kimbriër; eene Kimbrische vrouw.

('luie, f. top, m., kruin, spits, v. (van een' berg, boom, enz.).

('iinenllt, m. (lat. ca? men turn, mortier) tras: cement; — romaiii. Homeinsche tras: —Ier, v. a. met cement metselen; fig. bevestigen, bekrachtigen; —lier. m. cementmaker.

('imeterre, m. (turc scimitare) sabel, groote houwer der Turken, m.

timetiere, m. (gr. koimètèrion; de koimaó, je fais dormir) kerkhof; begraafplaats, v.; doodenakker. m.

(iuiette, f. spruitkool, Brusselsche spruitjes, ('iiiiieaire, f. weegluizenkruid.

timter. m. (rad. cime) lendestuk (van een' os enz.); helmtopsieraad; figuur boven den helm (in het wapenschild).

Ciiniuérien, enne, m. et f.Cimmeriër, naam

'U,1 mjruiuiugiauii vuiK UIJ Ilomei'us.

1 imoiiiiie. pierre ciiiiolee. f. voIj

a. mntiere eimolee, slijpsel (dat in den bak van den slijpsteen valt).

C inabre. m. (lat. cinnabaris) vermiljoen, bergrood. cinnaber.

C'ineeiielle, f. scheepstouw; striklijn; jaagof treklijn, v.: - a f|«t, vlotlijn, v.

Cinema||tlque, a. (grec kinèmatikos, de kinéma, mouvement), op de beweging betrekking hebbend; —, s. f. de bewegingsleer; — tograplie, m. cinematograaf.

Cinéllfaetioii, f. verbranding tot asch v.;

lier, v. a. tot asch maken, in asch verkeeren; —raire, a. (lat. ciuis, cineris, cendre) urne rinérairc, lijkbus, aschkruik, urne, v.; s. f. aschplant; — rntion, f. verbranding tot asch, v.

i iiikI )H£P. m. weg, dien een schip in 24 uren allegt of afleggen kan. m.: loon der scheepslieden; —eau. m. schietlood; meetsnoer; — einent, m. het zeilen; —er, v. n. alle zeilen bijzetten, met'volle zeilen varen; sturen; koers zetten; v. a. met eene zweep een' slag in het aangezicht geven; door het aangezicht snijden (van den wind).

( inname ou ('innamnme. m. cinnamom kaneel; kaneelboom, m.

< in«| (pr. cink; devant une consonne rin) a. vijf; —, m. eene vijf, v.; Ie — de roeur. harten-vijf.

fCinqunin, m. vijfregelig gedicht; slagorde van vijf bataljons, v.

Ciliqiiniilltaine, f. vijftigtal; il a attelnt

l« —, hij is vijftig jaar oud geworden; réléhret la —, het vijftigjarig huwelijksfeest, de gouden bruiloft (les noces d'or> vieren: —fe a.viifHn-

—lenler, m. die over vijftig man het bevel voerde; —tieuie, a. vijftigste; s. m. het vijftigste

aeei.

< iiic|uieiine, a. vijfde; —, m. een vijfde, vijfde gedeelte; —. f. vijfde klasse up een^ school, v.; — meinent, adv. ten vijfde, in de vijfde plaats.

Cln || trage, m. touwen om te binden of om te gorden; —tre, m. boog, m.; gewelf: plein —. rondboog (halve cirkel); les loges dn —, de laatste rij loge's; —Iré, gewelfd: fenètre —e. boograam; —trer, v. n. een gewelf of een' boog maken, overwelven.

C'ipaye (pr. pa-Ie), m. Sepoy, m.; Indisch soldaat.

Cipolin, m. groen Italiaansch marmer.

Cipres, zie Cyprét».

C'ippe, m. halve zuil zonder kroonlijst: gedenkzuil, v.

Cirage, m. het besmeren met was, met

scnoensmeer; wrijfwas, boenwas, schoensmeer; mi tableau de —, een gele camaïeu-schilderij.

i'ircassieii, ienne, a. Circassisch; m. et f. Circassiër; Circassische vrouw.

Cireée, f. alruin (zekere plant); (lierlie a sorelers),

(ircoiiipolaiie, a. om de pool liggend. C'ireoiilleire, v. a. besnijden; —eis, m. besnedene; —ciseiir, m. besnijder; — cision, f. besnijding, besnijdenis, v.

C'ircon Terenre, f. (lat. circum, autour: ferre, porter) omtrek, omvang, m.; — flexe, a. (lat. circum, autour; flexus, plié) aeeent —. omgebogen toon- of klankteeken; — lomtion, f. (lat circum, autour; loqui, parler) omschrijving met woorden, v.; —scription. f. omgrenzing, bepaling, v.; het beschrijven van een cirkel om eene fitniniv imhiprl '/liatviM*

volaarde, v.: — electorale, kiesdistrict; — sc rlre, v. a. (lat.

circum, autour; scri bere, ecrire)omgrenzen, bepalen; omschrijven; — une circoiil'creiice a un polygone, een cirkel beschrijven om een veelhoek; —speet (pr. pè; devant une voyelle pek), fém. eete (pr. èkte), a. omzichtig, voorzichtig, behoedzaam; — spertlon, behoedzaamheid, voorzichtigheid, bedachtzaamheid, v.

t'ireoiistmi |ee, f. (lat. circumstantia) omstandigheid, v.; poète de —s, gelegenheidsdichter; poeuie de — s, gelegenheidsgedicht; —ciel, lelie, a. m. de omstandigheid aangevend: complement —, bijwoordelijke bepaling: —eier, v. a. omstandig verhalen of beschrijven.

Cireonll vallat ion, f. onischansi'ng, omwalling, insluiting (van eene belegerde stad), v.;