Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Clystêre, m. spuiting, v.; klisteer, lavement; nu: reuiede.

Cnêuiide, (pr. km*) f. beenplaat der Gneksche soldaten, v.

Co, Col, Co in ou Con, (lat. c u m, avec

voorvoegsel bij vele wooiden, dat gelijktijdigheid

van handeling enz. uitdrukt, ons Nederl. mede. Coaecimè, m. ce, f. medebeschuldigde. Coacuulléreur, m. medeverwerver, medeverkrijger; — iaition,f. gemeenschappelijke koopm.

Coac||tif, ivc, a. dwingend; — tioii, f. dwang, m. . .. 4

Coad ju li leur, m. (préf. co et lat. ad ju tor, ;iide) medehelper of opvolger van een' bisschop enz., coadjutor; -toreric, f. waardigheid van een' coadjutor, v.

Coagu||lanl,a. stremmend, stollend; — latioii, f. stremming, stolling, verdikking, v.; —Ier, v. a. (lat. coagulare) doen stremmen; se—, v. pr. stremmen, stollen, verdikken; — huil (pr. ome), m. stremsel.

Coaille, yuoaille, f. grove wol, v.

r<t»k. zie Coke.

Coaii||H<s éc, a. verbonden; »e —ser, v. pr. (lat. coalescere, se souder) zich verbinden, zich bijeen voegen; — (Ion, f. verbond; vereeniging, v., coalitie.

Coaltar, m. koolteer.

Coat» iMeiiieiit, n. gekwaak der kikvorschen; —•♦er, v. n. kwaken (als de kikvorschen).

Coaasociê, m. mededeelgenoot, medeverbondene.

r..ati nr» RrnT.iliflnnsP.liP, waschbeer, m.

Cobw», Col»ért, m. ou Cobée, f. cobea, v. (klokdragende klimplant).

Cobalt, m. cobalt (zeker halfmetaal). Ci.iiavp m. marmot froelion d' Inde).

Coca, m. honger-en-dorstboom (in Peru), m. Cocague, f. unit de —, m. kokagnemast, klim mast, m.; fig. paya de —, Luilekkerland; -, pastelkoek, koek van weede.

Cocarde, f. strik aan den hoed, m., kokarde, v. (ocawlse, a. fam. grappig, boertig; bespottelijk, belachelijk; -serie, f. fam. belachelijke onzin, m.

i ucairt-, ui. ua 1*0 •••• , . ..

Coccinelle, f. Onze-Lieve-Heersbeestje (bete i\ hun Dien). ,

Coccus, m. de wetenschappelijke naam deicochenille, v. .

< » /nr knk.i>ktiPi. m. stuitl>een.

Coccvgien, iemie, a. tot het stuitbeen behoorena.

Coclie. m. postkoets, diligence, v.; iiiaiiquer Ie —, eene goede gelegenheid, het geschikte oogenblik voorbij laten gaan: il fait la uioucbe du — hij hangt den bedrijvigen, onmisbaren man uit; — d'eau, marktschuit, trekschuit, v.; Coclie, f. keep, kerf (in den kerfstok van

L.O.. kobkav i n onn Vinna, pp.ii r»iil) V.! ZO 2. ze LIST. V.

Cuclienil||lage, m. het verven met cochenille; -Ie. f. (lat. coccinus, écarlate) Amerikaan.,•!.£» cnhiiHinic pnp.henille. v.: nurDerworm, m.;

scharlakenverf, v.; —Ier, v. a. met cochenille verven; -lier, m. nopal of opuntie, v.; cochenilleplant, v.

Coclier, m. (rad. coche) koetsier, voerman; wagenman, voerman (zeker sterrenbeeld), m.; fouelte, —! vooruit, koetsier!

Coclier, v. a. kerven, een kerfje maken.

Cdclier, v. a. treden, dekken (van hanen en ander gevogelte); dea ceufa cóchés, bevruchte eieren.

valkhoff, Frang.-Holl. I.

Coclière, a. f. porie —, groote koetspoort, stalpoort, v.

Cocliet, m. jonge haan.

Cochevi*, m. kuilleeuwerik, m.

CocliincliiiioiM, c, a. van of uit Cochin-china.

Cochlearia (pr. kok), m. (lat. cochlear,cuiller, & cause de la formedes feuilles) lepelblad; lepelwortel, m. (Iierbe au acorbul).

Coclio, m. soort van parkiet of papegaai.

Coclioir, m. keepmes; keifbeitel, m.; touwslagerswerktuig, dienende om de strengen van elkander te houden.

Cochon, m. varken, zwijn; — de lalt. speenvarken; — d'engraia, mestvarken; — denier, bruinvisch, m.; — d'Inde, marmot (cobaye);

nous ii avona pas garue ie» -» niBcuiuir,

niet al te familiaar! —, 01111e, a. vuil, smerig; —. mengsel van metaal en andere vuiligheid, dat somtijds den smeltoven verstopt, metaalslak.

Coclioiilliiaille, f. fam. varkensworst, v.; —née, f. worp biggen of jonge varkens, m.; —ner, v. n. biggen werpen; v. a. een werk vuil en slordig doen; —nerie, f. fam. morsigheid, vuilheid, onreinheid, v.; —nel, m. jong varken, speen varkentje; kleine bal, dien men vooruitwerpt bij het balspel om als doel te dienen. . , ,

Cockney (pr. ko-kne), m. modegek, fat (van Londen).

Coco. m. kokosnoot, v.; zoethoutwater (met citroen); ei; kinderschoen (in de kindertaal);

llioil peilt — , mijn vemjc, uu umm —, leelijke kerel. ,

Coco i| n, m. poppetje of tonnetje van een zijdeworm; — image, m. vorming van 'ttonnetje der zijdewormen, v.; —mier, v. n. zich inspinnen (van rupsen).

Cocolier, m. kokosboom, m.

Cocotte, f. kip (in de kindertaal); fam. klein meisje; fam. vrouw, meisje van lichte zeden; ooglidontsteking, v.; komfoorfornuis, stoofpan.

Coction, f. (lat. coctio; de coq uere, cuire) koking; vertaling, toebereiding, v.

Corii, m. fam. horendrager, bedrogen echt-

ueuuuu

m f-.im hnrprwlmfyprsi-han.

Coda, f.'aanhangsel, toevoegsel, van een muziekstuk.

Code. m. (lat. codex) wetboek; — ei vil, burgerlijk wetboek; - eriininel, penal, wetboek van strafrecht; — d'iii»lruetioii criuiinelle, wetboek van strafvordering; — de coniniercc, wetb. van koophandel; — pliamiaceutiuiic, pharmacopo-a (van apothekers enz.).

Codébiteur, ni. codébitrice, f. niedeschuldenaar.

Codcciiiiiiteur. ni. codeciinatrice, deelnemer aan de tienden.

Codemaiideiir, m. codeinanderease, f.

meae-eiscner.

Codcteiiteur, m. codctentrice, f. medebezitter van een erfgoed.

Codetenu, m. ue, i. meae-gevaimeiie.

Codex. m. pharmacopoea (der apothekers enz.).

Codilcillaire, a. in een codicil begrepen; tot een codicil behoorend: —cille, m. aanhangsel op een uitersten wil of testament, codicil: — tication, f. wetboekvervaardiging, v.; —lier, v. a. een wetboek vervaardigen.

Codille, m. (in het omber- en quadrillespel) faire —, gaguer (par) —, winnen zonder te hebben laten spelen.

Codonataire, m. medebegiftigde.

9

Sluiten