is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sieraad aan banden van boeken; boekstempel, m.; fig. i'tre marqué au — «Ie (In vérité), den stempel dragen van (de waarheid); — üi' heurre, kluit boter; v.; au — dn ren, in 't hoekje van den haard; jouer aux quatre —stuivertje wisselen; mi — de leire, een hoekje, stukje gronds; regarder <|ii. <lu — de l'iril, iemand ter sluik aanzien; — pl. hoektanden (van een paard), in.; zijveeren aan den staart van een' valk; valsche zijiokkeu, v. ('oiiirer, v. a. keggen ot' wiggen indrijven, ('uïnri II deuce, het samentreffen, samenvallen; —ilent, ente, a. op elkander passend; op hetzelfde punt vallend (van lichtstralen sprekend); j tegelijk gebeurend, gelijktijdig; —der, v. n. (préf. ! co et lat. incidere, tomber sur) op hetzelfde punt vallen, samentreffen; op een en denzelfden tijd plaats hebben.

'Coïndillcaiil. a. medeaanwijzend (geneesk); -ration, f. medeteeken; medeaanwijzing, v. (uilig. m. kwee, kweepeer, v.

C'oïntéreiwé, ée, a. deelhebbend, deelnemend; —, m. et 1'. deelnemer, deelneemster.

('oïon, m. pop. et bas. bloodaard, lafhartig mensch; —nade. f. grofheid, gemeene smadelijke bejegening, v.; —ner, v. a. pop. et bas, beschimpen, tergen, voor den gek houden; v. n. laag schertsen; laf zijn: —iierie, 1'. lam. lafhartigheid, lompheid, spotternij, v. l'iiloiiiasaiiee, f. medegenot.

('oit, (pr. ite) m. paring, v.

('oi(e, f. veeren bed (couette).

Coke. m. (mot angl.) cokes, v.

t ol. m. (lat. collum) hals; stropdas (om den hals), v.; boordje, kraag; fan\ —. los boordje; —, (in de aardrijksk.) bergengte, v.; nauwe opening, hals.

( olarin, m. fries van een kapiteel, v. t'ulature, f. filtreering, v.; filtreelsel; aftreksel. Colhark, m. (turc kalpak) huzarenberenniuts, v.

t'olrliique, m. tijloos (zekere bloem), v. t uicutar. m. dobdenkop, v.; Engelsch rood. Cold-rream, m. (pr. col-kréuie), cold-cream (soort pommade).

Colégataire, m. mede-gelegateerde, medebegiftigde.

Coleoptire, m. et a. (gr. koleos. étui, piine; pteron, aile) schildvleugelig insect.

l'olère, f. (lat. cholera, bile; gr. kolê, bile) toorn, m.; gramschap, oploopendheid, v.; a. toornig, gram.

Culerique, a. opvliegend, oploopeud; clioleriek.

Colérique, m. et. f. choleralijder, choleraüjdere8.

t «ilinrt. m. rog (zekere visch), m.

('nlibri. m. kolibri, v. (vogeltje in Amerika). Coliritaut, e, a. medeverkoopend; m. et f. inedeverkooper, -koopster.

Colillrliet, m. sieraad van geringe waarde; pl. vodden, beuzelingen, snuisterijen, v.; prullekraam, v.; licht beschuit (voor jonge vogeltjes).

I i)liiiia<,inl. m. slak zonder huisje, v.; enealii'i' <>n — wpiitnltrnn.

Colin, in. verliefde herder; zwarte zeesnoek; zwart waterhoen.

Colin-uiaillard. m. blindemannetje (zeker kinderspel); jouer ii —. blindemannetje spelen.

toliii-tHinpon. in. (vroeger:) trom meislag van '1'' Zwitsersche garde, m.; (nu:) lig. je lll'ell *oucie roiiime ue —, ik geef er geen zier om. Coliüque, f. (bas lat. eolieu, de cola,

partie du gros intestin) darmpijn, darmjicht, v.; koliek; - inolallique, - de ptoinh, de uiittcréré. loodkoliek (van loodwitwerkers); la — Ie tient. hij heeft koliek; lig. avolr la -, bang zijn; — queux, euse. a. met koliek behept; koliek veroorzakend.

t'ulin, in. niarrliaiidistes eii —. f. pl. stukgoederen (vat, fust, kist, baal).

ColiMée, m. schouwburg, m., schouwplaats, v. (bij de Romeinen).

Coilobo rateur, m. Iriee, f. (préf. col et lat. laborare, travailler) medewerker, medewerkster; —ration, f. medewerking, v.; —rer, v. n. medewerken.

Collage, m. het lijmen, plakken, (bij het papier maken); het aanplakken (van biljetten, behangselpapier); het zuiveren van wijn met vischlijm; pop.onigang.samenwonen buitenecht.

('ollant, e. a. lijmend, plakkend; pantalon —. nauwsluitende broek.

« ollapHUH. m. het plotseling bezwijken der

Collataire. m. begiftigde met een geestelijke prebende, ambt.

i^onaii' rai, ^prei. tui et u. laiBim, wi. latus, cóte), a. zijdelingsch, tot de zijdelingsche linie liehoorend; poinla — ranx, m. pl. tusscheawinds treken (zuidoost, noordoost enz.); ligne —rale. zijlinie (in bloedverwantschap); —. s. m. zijdelingsche erfgenaam; — raleiuent. adv. in zijdelingsche linie.

Culla leur, m. begever van een geestelijke prebende, ambt; -til, ive, a. dat begeven kan worden (van eenig geestelijk ambt); —tion, f. begeving van eenig geestelijk ambt, v.; hel recht daartoe; vergelijking van een afschrift met het oorspronkelijk, v.; —tion. f. lichte maaltijd van de katholieken op vastendagen; lichte en koude maaltijd, m.

Coliationnage, m. het vergelijken of collationneeren van geschriften; — neineiit, m. het vergelijkend nazien; —lier, v. n. een' lichten en kouden maaltijd houden; v. a. een afschritt met het oorspronkelijk geschrift vergelijken, collationneeren; nazien of de bladen van een boek goed op elkander volgen.

('olie. f. (lat. colla, gr. kolla) lijm, v.; stijfsel, v.; plaksel; — ii bonclie, moudlijm;

— ione, SCI1I IJIlWeiKClOllJUt , , lam. icugcu,

dunner, collier mie — n (|ll.. iemand wat op de mouw spelden; —, lastig voorexamen.

1'ollerllte, f. (lat. collectus, recueilli) [inzameling der belastingen of schattingen; geldinzameling voor de armen, v.; collecte, v.; algemeen gebed der Roomsche kerk voor al de geloovigen; —ter, v. a. inzamelen; —teur. m. inzamelaar, collectant; finvorderaar (der schattingen); —, a. égout —, hoofdkanaal: nqiieduc —, hoofdreservoir (van de waterleiding); —til', ive, a. gezamenlijk, volledig, gemeenschappelijk; (iiom) —, m. verzamelwoord; —tion. f. (lat. collectio; de colligere, réunir) verzameling, v.; — tionner, v. a. verzamelen; —tlonneur. m. euse, f.verzamelaar, verzamelaars ter; —tiveuient, adv. gezamenlijk; —tivinte, m. aanhanger van het collectivisme (leer van het gemeenschappelijk bezit); —tivisnie. m. collectivisme, leer v. h. gemeensch. bezit; —tivité, f. gemeenschappelijk bezit.

Cullege. lil. (lat. couegiiiiii; ue cumgere, réunir), vergadering, bijeenkomst, v.; gezelschap, college; stedelijk gymnasium; schoolgebouw; — elerloral, kiescollege; mui de —,

9*