Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Contenïdaiit, ante, a. strijdend, twistend; —dant», m. pl. fani. strijdende partijen, v.

Coiitenir, v. a. (pref. con et te nir) inhouden, bevatten, behelzen; fig. terug houden, intoomen; se —, v. pr. zich bedwingen, zich matigen; zich inhouden.

Conten||t, cnle. a. (lat. contentus) vergenoegd, voldaan, tevreden; — de, vergenoegd, tevreden (over of met); —, s. m. avoir son — de qcli., zijn genoegen van iets hebben; -teinent, m. tevredenheid, v.; vergenoegen; vermaak; — ter, v. a. tevreden stellen, voldoen, genoegen geven; se —, v. pr. de qeli,, zich met iets vergenoegen, met iets tevreden zijn.

Contenlltieiiseiiient, adv. met, onder twist; —tienx, ieuse, a. tot strijd aanleiding gevend; twistend, twistgierig, netelig; Ie —, procesaangelegenheden, twistzaken; —tif, ive, a.samenhoudend, vasthoudend; —tion, f. twist, m.; krakeel, gekijf; hevigheid; inspanning van geest, v.; het samenhouden van gebroken deelen in de heelkunde.

Con||tenu, a. bedwongen; nti carartere —, een gesloten karakter; s. m. inhoud, m.; —tenue, f. uitgestrektheid, v. van een grondgebied (zie roiiteiianre).

Conter, v. a. vertellen, verhalen: en — a

J|n., iemand iets wijs maken; en — a une einine, — tlenrette a une femme, eene vrouw door vleierijen trachten te behagen; en avoir long a —, veel te vertellen hebben; en — de fortes, opsnijden.

Conterie, f. grove glaswaren, die men te Venetië vervaardigt, v.; glaspaarlen, v.

Conté»*!!tabilite, f. betwistbaarheid, v.; — table, a. betwistbaar; — tant. ante, a. voor 't gerecht twistend; — tante, m. pl. twistende partij, v.; — tation. f. strijd, twist, m.; betwisting, v.; —te, f. geschil; —ter, v. a. (lat. cum. avec; testari, témoigner) betwisten, bestrijden; v. n. twisten, strijden.

Conteur, m. euse, f. verteller, vertelster; snapper, klapper; snapster, klapster; — (de rhaiisons, de fagots, de sornettes), windmaker, pochhans.

Contexj|te, m. (préf. con et texte) samenhang van den tekst, m.; — ture. f. (préf. con et texture) samenhang, m.; samenvoeging, v. (der deelen van een geheel).

Contigiiatioii. f. getimmerte; verbinding van houtwerk om iets te ondersteunen, v.

C onti gu, uë. a. (lat. cum, avec; tangere, toucher) aanrakend, aanliggend, aangrenzend, belendend; —guïté, f. aanraking, aangrenzing, v.

Contiilnenee, f. onthouding, matigheid; ingetogenheid, kuischheid, v.; —nent, e, a. matig, ingetogen; —nent, m. (lat. cum, avec; ten ere, tenir) vasteland; —neiital. ale, a. tot het vasteland behoorend.

Contin ||genre, f. toevalligheid, mogelijkheid, gebeurlijkheid, v.; —gent, ente. a. (lat. contingens, qui arrivé) gebeurlijk; toevallig; —gent, m. bijdrage, v.; aandeel, contingent: Ie» futurs —s, de gebeurlijkheden.

Contillnu, ue, a, (lat. continuus) aan elkander hangend; voortdurend, gestadig;—nu, m. het geheel; —nuateur, m. vervolger, voortzetter (van een' schrijver); — nuation, f. vervolg; voortzetting, volharding, aanhouding, v.; —nue, f. voortgang, m.; onafgebroken voortduur, v.; a la —, adv. op den duur (beter: a la longue); — nuel, elle, a. gedurig, gestadig, bestendig, onophoudelijk! —nuellement, adv.

gedurig, zonder ophouden; — nuer. v. a. (lat. continu are) vervolgen, voortzetten; verlengen; bijblijven; —nuer, v. n. voortduren, aanhouden; se — nuer, v. pr. voortgezet worden, voortgaan; —niiité, f. samenhang, m.; gedurigheid; bestendige aanhouding, v.; solution de —, scheiding van vroeger samenhangende deelen; —iiumeiit, adv. onafgebroken, zonder ophouden.

Contonildant, e. a. kneuzend; —dre, v. a. kneuzen.

Coiitorsion, f. (lat. contorsio; de cum, avec, torsio, torsion) verdraaiing, om wringing, overdreven houding of gebaar; buitengewone beweging, v.

Contour, m. (préf. con et tour) omtrek, m.; omvang, omkring, m.

Contour nable. a. ombuigbaar,verdraaibaar: —né, ée, a. afgerond; scheef, verdraaid; style —, gewrongen stijl; — iiement, m. draaiing, verwringing, v., —ner, v. a. den omtrek (eener teekening enz.) maken; om iets heen loopen, trekken; misvormen; «e —, v. pr. krom worden, krom trekken (van hout).

Contractant, ante, a. et s. m. et f., die een verdrag maakt; — tants, m. pl. overeenkomende partijen, v.; —tation, f, het sluiten van een verdrag; —te, a. eene samentrekking bevattend: verbes —tes, verba contracta; —te, f. verkorting, ineensmelting, v.; —té, ée, a. samengetrokken; verkort, ineengesmolten; — ter, v.a. et n. (lat. contrahere, contractum; de cum, avec, et trahere, tirer) een verdrag enz. aangaan, maken of sluiten: samentrekken;

— une obligation, eene verplichting aangaan:

— des «lette», schulden maken: — une maladie, zich eene ziekte op den hals halen; — une habitude, eene gewoonte aannemen; se —, v, pr. zich samentrekken, ineenkrimpen; —teur, m. soort van spit of braadijzer; —tif, ive, a.samentrekkend; — tile,a.samêntrekbaar. verkortbaar; — tilité. f. samentrekbaarheid, krimpbaarheid, v.; —tion. f. samentrekking, inkrimping, v.; —tuel, elle, a. bij verdnig aangegaan, geregeld; —ture, f. verdunning eener zuil aan haar boveneind; stijfheid der spieren, v.

Contradif Üteur, m. tegenspreker, betwister; tegenpartij, v.; —tion, f. tegenspraak, tegenstrijdigheid, v.; — toire, a. tegenstrijdig; debat —, verhoor van beide partijen te gelijk; jugement —, uitspraak van den rechter na net hooren van beide partijen, v.; — toirement, adv. op eene tegenstrijdige wijze, tegenstrijdig.

Con'ltraigiiable, a. aan rechtsdwang onderworpen, betwistbaar; — traignant, e, a. dwingend, hinderend; — traindre, v. a. (lat. constringere; de cum, avec, et stringere, étreindre) dwingen, noodzaken; fig. kwellen, drukken; se —, v. pr. zich bedwingen; —traint, ainte, a. gedwongen,genoodzaakt; lig.gedwongen, onnatuurlijk, stijf, verlegen; —trainte, f. dwang, m.; terughouding, v.; fig. verdriet; moeilijkheid, v.; gerechtelijk dwangmiddel; dwangbevel (tegen achterstallige belastingschuldigen); — par eorps, dwang door gevan genzetting, lijfsdwang; — par saisie, dwang door beslaglegging op de goederen.

Contrai||re, a.(lat. contrarius; de contra, contre) tegengesteld; tegenstrijdig; schadelijk; vent —, tegenwind, m.; — re, m. tegendeel, tegengestelde; au —, adv. integendeel.

Contral||tiste, m. et f. iemand met eene diepe

Sluiten