is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

('ourhe, f. bed; bedstede, v.: huwelijksbed, kraambed; kraam, verlossing; fausse —. miskraam; luier of luur, v., windsel (voor kinrlereD); laag, rij. bedding, v.; zaai- of broeibed 'in een' tuin); leggerhout; balk, m.; doek, waarop de bakkers het brood doen: grond eener schilderij enz.; zet of inzet (in het spel), m.; kolfwang, v. van 't geweer; arbre de —, drijfstang (van stoommachine).

cóurhr, zie courtier. , . .

tourliée, f. herberg, waarin de reizigers overnachten, v.

Courher, (lat. collocare) v. a. leggen, nederieggen; te bed brengen; nederwerpen; inzetten (in het spel); verven opleggen; — qn. Hiir Ie rarreau, iem. dood of zwaar gewond ter aarde werpen; — qu. ou <|ch. enjoue, op iemand of iets aanleggen of mikken (met een «u'onri. licr prirüns naar staan, iets in het oog

hebhen; —. par errit, uur Ie papier, in geschrift stellen, opschrijven; - la pftie. het deeg in doeken of manden leggen, om het weder te doen rijzen; v.n. liggen: slapen ; overnachten; — a la helle éiolle, onder den blooten hemel overnachten; »e —, v. pr. zich neder leggen; te bed gaan; ondergaan (van de zon en de sterren); allez-vou» —. loop heen;

i' l.«l l.nnr.1 oHl I (t ftt PPIl' hnndY

loiieut-. ivuco. * ' . ....

toucher. m. het naar bed gaan; slapenstijd, m.; slaapgeld; bedkleed; slaapplaats, legerstede,

v.; het slapen; ie — nu rui, «uuuiowf»." -y den koning; ondergang van de zon en de sterren, m.

1'oucherie. f. bijslaap, m.

Couchette, f. bedje; krib, rustbank, v. Coucheur, m. euse. f. l»oii ou mauyais —, nf ln<ati£rft hpdo-enoot. bijslaap;

Tig. c'e»t un niauvai» —, het is een lastige baas om mee om te gaan.

Couclii». m. laag zand; aarde enz. v.; stek, loot (inareotte). .

Couch<rir, m. vergulderswerktuig.

Couchure, f. borduursteek, m.

Couci-couci, adv. zoo zoo, zoowat, ten naastenbij. . r

l ouon.. m knr>knpk. m.: llOMOffC O —. I. OU

-. m. koekoeksklok, v.; zekere aardbezieplant (die veel bloeit en geen vruchten draagt), v.; kleine diligence; slecht publiek rijtuig. Coucoiier. v. n. koekoek roepen. f'iwi.xtiiiMollo f snort, naddenstoel.

(oude, m. (lat. cubitus) elleboog, m.; jouer de» -», met de ellebogen door de menigte dringen; être — a —, zeer dicht bij elkaar staan; se serrer, se tenir Ie» —», in gesloten gelederen staan; lig. eensgezind elkaar bijstaan; lever, liau»»er Ie —, van drinken, pooien houden; il ne »e iiiourlie pa» du —, hij is lang niet dom; —, kromte, bocht, v.; stompe hoek aan een' muur, m. tou-de-cigogne, m. langsnavelige ooievaars-

Coude. ée, a. gebogen, hoeks-of boogsgewijze uitstekend.

Coudce. f. elleboogslengte; maat van zulk eene lengte, v.; avoir »e» —» tranche», zich

klltirion rnoran • li(T vrii firtpl hfitlbfifl.

Coude-main, Coude-inaiii, m. rug van de hand, m ; pl. de» cou-de-maiii, coude»-inalii».

Cou-de-pied, m. (rad. cou et pied) wreef, v.; pl. de» cou»-de-pled.

( ouder, v. a. knievormig ombuigen; den elleboog aan een kleed snijden of naaien.

Coudoienient, m. het stooten met den elleboog.

Coudoyer, v. a. met den elleboog stooten, aanraken, ontmoeten.

Coudraie, f. (hazelaars)bosch.

Coudran, m.teer: -ner.v.a.teren: -neur, m. touw werkteerder; beter: goudron, goudronner, goudronneur.

( oudre, v. a. (lat. consuere) naaien, aanhechten; vastbinden, vastspijkeren: flg. aan elkander lappen; — de» pl»ra»e», zinnen samenflansen; — en »urjet, overhands naaien; — h grand» point», rijgen: — a petit» point», met kleine steken naaien; zie eou»u.

yCoudre, m. hazelaar, hazelnoteboom, m.

Coudrée, f. uitgedroogd, dor land.

Coudreuieiit, m. het runnen (van leder); run, v.

Coudrer, v. a. runnen (het leer).

Couorette, i. nazeiaarsouscu.

( oudiier, m. hazelaar, m. , t

Couenllne. f. zwijnshuid, v.; zwoord van het spek: dikke grauwe huid op het afgetapt bloed, v.; — neux. eu»e, a. dik van huid; slijmig, kleverig (van afgetapt bloed sprekend>; angine —neu»e, vleezige keelontsteking, kroep.

Couet. m. hals, m.; smijt, v. (zeker touw op schepen). 4

Couette. f. veeren bed; (roite): gestikte beddedeken, v.: balk van een scheepshelling. Couffe, f., Coufle, m. mand; baal, v. Couguar, Cougouar, m. puma, kuguar, m. (soort van Amerikaansch luipaard).

Coul, m. kalebasboom, m.

Collier, m. touw, waarmede het achterste van eene schuit vastgemaakt is.

Couillai u, m. noodgording op een uuueircu, v.

Couille, f. Couillon, m. teelbal, m.

Coulage. m. gieten; gieting, v.; lekking, lekkage, v.; het afvallen van de wijngaardbloesems (door den regen); lig. verkwisting van geld.

Coiilaiiinient, adv. vloeiend, vlug, gemakkelijk, zonder moeite.

Coulant, ante, a. vloeiend, loopend; lig. zacht, gemakkelijk; vloeiend; neeud —, m. lus, v.; strikknoop, m.; Iiouiine —, inschikkelijk man; de»»in —, zachte teekening, v.; vin —. aangename wijn, m.;mii»ique —e. vloeiende muziek,v.

Coulant, m. halsversiersel van edelgesteenten der vrouwen; schuifring, m. om eene paraplu ie, eene beurs, een servet enz.; uitlooper, rank.

Coule, f. monnikskoorkleed met wijde mouwen: ongeoorloofde bijverdienste, v.

Coule, m. gesleepte noot, v. (in de muziek); een slepende pas (in het dansen), (gli»»e); opening voor het uitloopend water (in zoutkeeten), v.; gegoten werk (bij smelters, goud¬

smeden enz.K 01] nei oujunen; sujul, «uaiuwi de ballen elkaar naloopen: eerste aanleg van tinten (bij schilders), m.

Coulée, f. het uitstroomen; het uitspoelen; foire la —, spoelen; —, stioom van lava, van gesmolten metaal; loopend, schuinliggend schrift; ronding of scherpte van een schip; opening waardoor het gesmolten ijzer loopt (,in smederijen); he*- gieten van metaal.

Coulement, m. vlieting, vloeiing, v.; het strijken van den degen langs dien der tegen-

parui (lil net Buiicriiicu^.

_ /!..» Anlnvn lilIrnlA vlnPIPIl

VOUier. v. II. VJUU uuiaic, uiuv., '

loopen; lekken; verloopen: afloopen(eener kaars); sluipen; uitglijden (van eene ladder); door of langs iets heen sluipen; luchtig glijden (in het