Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dansen); la vigne couIp, de druiven vallen af, voor ze rijp zijn; — sur qeb., fig. over iets heen stappen of maar in het voorbijgaan ervan spreken; — ban, — a fond. zinken, naar den grond gaan; — de sourep, natuurlijk of vloeiend zijn (van verzen); vrij uit 't hart opwellen; toute sa foVtunp y a eoulé, zijn geheele fortuin is er bij ingevlogen; fig. v. a. stilletjes onder iets mengen; doorzijgen, door eene zeef laten loopen: fig. ongemerkt, behendig inbrengen, insteken, inschuiven, tusschenschuiven, behendig inlasschen, enz.; in den vorm gieten (van metaal enz.); eene noot even aanroeren (inde muziek); — a land, inden grond boren,

«ven tiuncu, — uur niiaire a 10110. eene zaan voor goed afdoen; se la — douee, (la = la vie), een prettig leventje leiden, het ervan nemen: — <a l'oreille). influisteren; — la lessivp, het heete water gedurig over de wasch doen gaan; c'ent mi lioiiinip coule (a fond).

iicl 13 cciigciuuicciu uittil; — lies joiirs iipu-

reux, gelukkige dagen slijten; sp —, v. pr. onbemerkt insluipen.

Coulprpssp. f. zeef, vergietpan, suikerpan, v. (bij raffinadeurs)

CoiiIpMp, f. zeker vischnet; spil eener ziidespoel, v.

Couleur, f. (lat. color) verf, kleur, v.; — de rose, de feu, rozenkleur, vuurkleur, v.; yoir les pIiosps — dp rosp, alles rooskleurig inzien; avoir des —s, roode lippen, wangen hebben; ètre limit pii —,eene hoogroodekleur hebben: perdrp ses —s, bleek worden; ehanger dp —, verbleeken; les pales —s, de bleekzucht; uue affaire qui prpud —, eene zaak die goed begint te gaan: je ue eoiutais pas la — dp sou argent. dp sps parolps, hij heeft my nooit geld gegeven, nooit toegesproken; dp —, gekleurd; geus de —, kleurlingen, m.; —, fig. schijn, m; voorwendsel;

min» — ue, onoer aen scnijn van...; ce sout des —s, het zijn leugens; faire volr des —s a an., iemand iets wijs maken.

Couleujlvre, f. (lat. coluber) (niet vergiftige) slang, v.; fig. verdriet, hartzeer; il a avalé blpu dps —s. hij heeft veel verdriet opgekropt; — vrpp, f. witte wijngaard, m.; —vreau. m. jonge slang, v.; — vriu, a. slangachtig; —vrine, eoulevrine, f. veldslang; verdragend kanonstuk; — vriuier, eoulpvriuipr. m. soldaat die de veldslang bediende.

Couli, m. koelie, m.

Coul is, m. (rad. co uier) door een' doek of zeef gezegen sap van vleesch; het lekken van een vat; dunne gips, of kalk, m.

C'oulis, a. (rad. co uier) vent —, tocht, trekwind, m.

Couli* |se. f. rad. couler) sleuf of sponning, in welke een ander lichaam schuift, v.; schuifraam; schuifdeur; — deeoiilessioiiiial, schuifraampje van een biechtstoel; —, schuifwand op het tooneel, coulisse; de ruimte achter de coulissen; intrigues de — s, tooneelkuiperijen; faire les yeux en —, verliefde blikken ter zijde werpen; la —, ruimte voor de onwettige beursmakelaars (op de Parijsche Beurs); —se, pp, a. van coulissen voorzien; eliAteau —sè, m. kasteel met eene valpoort; —seau, m. houten latje of tongetje in plaats van eene sponning of groef; rand of ploeg aan houtwerk, m.; —sier. m. effecten-beunhaas, onwettig beursmakelaar.

Couloir, m. (rad. couler) melkzeef, v.;

zijgdoek; lekzak, m.; teems, (zeef) v.; smalle gang tusschen kamers, m.; gangboord in een' binnenvaartuig; lig. uitvlucht, verschooning, v.

Couloire, f. zijgdoek, vergiettest, zijgkorf; speldemakers-trekijzer.

Coulpp, f. lat. culpa) zondenschuld, v.; j*pn dis ma —, ik belijd schuld; hattre sa' —, schuld belijden, terwijl men zich op de borst slaat; fig. zijn leedwezen betuigen.

Coulurp, f. vloeiing van gesmolten metaal, v.; het metaal zelf; het afvallen van den bloesem of de vrucht des wijngaards.

Couinaroii. m. tonkaboom, m.

Coup, m. slag, stoot, houw, steek, m.; snede; streek, v.; worp; schoot, m.; schot; dronk, m.; teug, m.; keer, m.; uitwerksel, teelcen van een' slag, houw enz.; — de partie, m. beslissende slag, stoot (op 't biljart), m.; schaakmatzet, m.; taire mi — dp sa tète, handelen zonder iemands raad te vragen, op zijn eigen houtje iels doen; mi — de tpte, een onbezonnen daad;

— de iarnae. verrilriprliilrp stnnt m . fi>r

steek onder water; porter —, treffen,' veei indruk maken, groote gevolgen hebben; — de poing, vuistslag, m.; boksijzer; klein pistool; boor om met éen stoot de vaten te steken, v.; — de pipd, schop; Ip - dp pipd dp lïuie, beleediging een onmachtigen, te voren gevreesden vijand, aangedaan: — de pattp, slag met den poot, klauw; fig. bitse uitval; — de bee, — dp dpnt, beschimping, hatelijkheid;

— ur inngiie. Kwaaasprekerij; — «Tepee, degenstoot; mi — d'epep dans l'eau, vergeefsche inspanning; — de canil' (arg.), ontrouw (in 't huwelijk); — de sang, m. bloedstorting in de hersens: beroerte, v.; — d'eeil, blik, wenk, m.; uitzicht; avoir du — d'eeil, scherp zien; fig. een scherp, vlug oordeel hebben;

— dc (lieatre. plotselinge wending (in een tooneelstuk); fig. onverwachte daad, onverwacht besluit; — dp solpil, zonnesteek, m.; fam. avoir mi —■ de soleil. een weinig dronken zijn; ook: plotseling blozen; — «Ie niain, overrompeling, v.; schielijke en gelukkige aanval, m.; doiuier un — de inain a qn., iem. een handje helpen; — de peigne, losse streek met den kam, m.; — de grace. genadeslag, m.;

— de feu, schot; avoir 1111 — de liaehe, de marteau (a la tMe), fig. half gek zijn; è(re aux eent —s, erg ODgerust zijn; faire Ipn

Ips epnt mille —s, dolle streken uithalen; lp euisinipr pst dans son — de

fpu. de kok is hP7i<r mnt. hot Vil lip aan tp

wakkeren: lp — dp feu, het oogenblik vóór het gaar worden; fig. het beslissende oogenblik; — d'essHi, Droefstuk: — de ven#. wi rwtst.no t.

m.: windbui, windvlaag, v.; rukwind, m.; fig. entrer en — de vent, binnenstormen; — de inpr. storting van eene zee of golf, v.; — fourrp, slag of stoot, dien twee elkander tegelijk toebrengen, m.; fig. nadeel, elkaar in 't geheim toegebracht; — deIXrier,afscheidsdronk, m ; — d'essai, proefstuk; — de mai(re. voortreffelijke, meesterlijke daad; — de lilet,trek met een vischnet, m.: fig. groote, vangst van dieven enz. door de politie; — d'Ktat, staatsgreep^.; — de bourse, beursspeculatie; un —, Ie premier —, eenmaal, de eerste maal; rompre Ip —. de werking van een' stoot verminderen ; hoi re un —, een borrel, een glas wijn drinken; buvez eneore un —, drink nog eens; boire a petlts —, lepperen, met kleine teugen drinken; boire un grand —,

Sluiten