Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Debord, m. ontlasting van vochten, v.; overloop, m.; — de bile, overloop van gal; —, buitenste muntrand, m.; buitenrand van een weg, m.; uitstekende voering, stootkant; —dé, ee, a. ongebonden, losbandig, liederlijk; — dement , m. ontlasting (van vochten); overstrooming, v.; overloop, m.; fig. inval van vreemde krijgsbenden in een land, m.; ongebondenheid, v.; ongeregeld leven: —der, v. a. den rand of het boordsel afnemen of aftornen; omtrekken (van een leger); uitsteken, overhangen, zich verder uitstrekken dan...; — les avirons, de riemen inleggen; — nne embarration, een boot uitzetten; deborde! zet af! (commando om een sloep enz. van wal af te stooten);

— 1111 drap. une couverture, een laken, een deken, die ingestopt is, lostrekken; — les volle», de zeilen losmaken, de schooten vieren; lig. II pst débordé par l'ouvrage, hij zit tot over de ooren in 't werk; il a eté dehordé par Ie» événement», de gebeurtenissen zijn hem te machtig geweest: — une table de plomb, eene loodplaat afranden, aan de randen gelijk maken; v. n. et se —, v. pr. overstroomen, overloopen (van rivieren); overhangen, uitsteken; se —, zich los maken (van een schip, dat men geënterd heeft); afzetten, zich verwijderen (met een vaartuig): zich blootwoelen (van een kind); — doir. m. schaaf, die de loodgieters en kuipers gebruiken om de randen af te schaven, v.

Débosseler. v. a. de bulten of oneffenheden doen verdwijnen.

Débosser, v. a. de stoppers van ankertouwen of kabels losmaken.

Débot||té, ou —ter, m. oogenblik waarop men de laarzen uittrekt; lig. het oogenblik van aankomst; —ter, v. a. qn. iemand de laarzen uittrekken; se —, v. pr. zijne laarzen uittrekken.

Debouüché, m. uitgang, uitweg, m. (van een bergpas); ruimte tusschen de pijlers van een brug, v.; fig. middel tot slijting of uitvoer van waren; vertierweg, m. markt, v.; II a trouvé 1111 —pour ses mareliandlses, hij heeft eene markt voor zijne goederen gevonden; cette provinee manque de — s, 't ontbreekt die provincie aan vertierwegen; — cliement, m. uitgang, in.; uitwatering, v.; het ontkurken; fig. zie Débouebé; —cher, v. a. iets, dat verstopt is, openen: ontkurken (van flesschen); fig. — qn.. iemands verstand, oordeel doen ontwaken; v. n. uit of door eene engte geraken; uitloopen in, op ...

Déboucler, v. a. ontgespen; de ringen van eene merrie afdoen; (de haarlokken) uitkammen; den ingang van eene haven ruimen; fig. in vrijheidstellen, bevrijden; se —, v. pr.losgaan «van gespen enz.); in de war geraken, uit de krul gaan (van haar).

Dêbouilüli. m. kleurproef, kook proef, v.; passer une étoffe au —, eene stof de kleurproef doen ondergaan; — llr, v. a. stoffen de kleurproef doen ondergaan.

Débouler. v. n. fam. van boven naar beneden rollen (dégringoler).

Debouloiiner, v. a. de bouten wegnemen, uit elkaar nemen.

Debou'lquement, m. uitzeiling uitzeeëngten enz., v.; mond van een kanaal, m.; — quer. v. n. eene zeeëngte enz. uitzeilen.

Débourllber, v. a. uit den modder halen; van den modder zuiveren; modderen, baggeren; fig.

— qn., iem. uit een netelig geval redden; uit

armoede, ellende verheffen; se —, v. pr. uit den modder geraken, ontmodderd worden.

Debourgeoiser, v. a. ontburgcren; iem. de burgerlijke manieren doen afleggen; iem. uit den burgerstand in de hoogere kringen brengen; se —, v. pr. zich in toon, manieren enz. boven den burgerstand verheffen, zich ontdoen van burgerlijke manieren.

Débourrer, v. a. de scheerwol uittrokken of wegnemen; een prop uithalen; — ma tusil. een prop van een geweer trekken; — une pipe, een pijp uithalen, schoonmaken; fig. fam. beschaven, ontbolsteren; een jong paard laten draven; se —, v. pr. ontbolsterd, beschaafd worden. beschaafde manieren aannemen; zijn pijp uitkloppen.

Débour||s, m. plur.verschotten, uitschotten: — sé, m. uitgeschoten geld, verschot; uitgave, v.; —seinent, m. uitbetaling, v.; verschot; — ser, v. a. uitbetalen, geld uit den zak halen; verschieten; aeheter sans rlen —, koopen zonder de beurs te openen.

Debuut, adv. (pref. de et. bout) overeind, op de been, staande, op; passer —, vrij doorgaan, zonder octrooi of tol te betalen: avoir vent —, étre — au vent, tegenwind hebben, tegen den wind opzeilen; ét re —, opzitten, opzijn; —. int. op! sta op! il dort tout —, hij slaapt waar hij staat; II est déja —, hij is al op; fig. des eontes a dorinir —, praatjes voor den vaak; sape —, rechte loopgraaf.

Débouüté, m. ontzegging van een eisch, v.; —ter, v. a. afwijzen, uitsluiten, van de hand wijzen.

Déboiitonilnemeiit, m. losknooping, ontknooping, v.; —ner, v. a. ontknoopen, losknoopcn; se —, v. pr. zijne knoopen losmaken : lig. zijn hart uitstorten; rire, inanger a vent re —né, zich zat eten; zijn buik vasthouden van 't lachen.

Débrwillllé, e, a. onfatsoenlijk gekleed, half naakt; fig. te los, te vrij. zonder gevoel van schaamte; —, m. il ne faut pas aller jusqii' au —, men moet niet al te uitgelaten'wezen; —Ier, v. a. se —, v. pr. (préf. de et braie) fam. (zich) den hals en de borst ontblooten.

Débrniljsage, m. het uitnemen der kolen en der asch uit een' glasoven; —ser, v. a. den haard van kolen en asch zuiveren.

Débrayer, v. a. afschrappen (het harpuis).

Débredouiller, v. a. de bredouille wegnemen (in het triktrakspel); fig. fam. iemands omstandigheden verbeteren, hem weer op de been helpen.

Débri dé, e, a. onttoomd; gulzig? —. m. au —, bij de aankomst; —dée, f. voerloon, voergeld; oponthoud aan een herberg; troep lieden, die halt houden aan een herberg; —dement, m. ontbreideling, onttooming, v.; —der, v. a. onttoomen, den toom afdoen: zekere kleine deelen des lichaams afzetten; het touw van een' geheschen steen (in steengroeven)afnemen; fig. met overhaasting verrichten; san» —, fig. zonder ophouden of stilstaan; —une affaire, eene zaak in der haast afdoen.

Débris, m. (préf. de et bris) puinhoop, n».; wrak; fig. overschot.

Débroi|chage. m. het afnemen van den omslag van een boek (om het in te binden); — eher, v. a. van het spit afnemen; een omslag van een boek nemen.

DebrouilhlArtf, arde, a. sluw. uitgeslapen: —lement, m. ontwarring, ontwikkeling, v.; —

Sluiten