is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afzetten; — de clieval, van 't paard stijgen; — au\ enfers, ter helle varen; — a terre, aan wal gaan, ontschepen; — hh tombeaii, in 't graf dalen; il deseeiid tonjours au liion d'or, hij logeert altijd in den Gouden Leeuw: Ie barometre a deseeudu, de barometer is gedaald; ce sentier deseend ver» Ie village. dit voetpad leidt naar 't dorp; — nu tableau, een schilderij afnemen; — l.« Hf ene. naar voren op het tooneel komen; — la garde. van de wacht aftrekken; lig. in verval raken; sterven; —te. f. afdaling, nederdaüng, afneming, nedervalling, zakking, en?.; afhelling, v.; het afhangen; landing, v.; pijp langs de muren der huizen, door welke het water loopt; breuk, darmbreuk; gerechtelijke bezichtiging of schouwing, v.; — de croix, afneming van 't kruis; — de buyau*. darm¬

breuk; — de la garde, het aftrekken van de . wacht; — de lit, kleedje vóór 't bed.

Dcscripilteur, m. beschrijver: a. beschrij- j vend; —tlf, ive, a. beschrijvend, schriftelijk j voorstellend; geometrie —tlve, beschrijvende i meetkunde; —tlon. f. (lat. descriptio; de | describere, décrire) beschrijving, v.

DcaembaMlage. m. ontpakking, v.; —Ier. v. a. ontpakken, uitpakken.

Drsembarlqiiemeiit, m. weder ontscheping. v ; —quer, v. a. weder ontschepen.

Desembarrasser. zie Débarrasser.

Di'Heiubourber. v. a. uit het slijk helpen.

I)e*eiiibruuir. v. a. weer hekier maken; hoii front se desembrunit, zijn gelaat heldert op.

Dfseuimaiirlier, v. a. den steel, het hecht of handvat afdoen.

Desemi; parement, m. ruiming, verlating eener plaats; wederaftrekking, v.; — parer, v. a. et 11. (préf. des et emparer) ergens van daan trekken, (eene plaats) ruimen, verlaten: «au» op de plaats zelve, onmiddellijk; (een schip) reddeloos schieten.

Desempeser, v. a. de stijfsel uit het linnen wasschen. !

Desemplir, v. a. uitgieten, gedeeltelijk ledigen of ledig maken; v. n. ledig worden; se —, v. pr. lediger worden, niet meer zoo vol zijn.

Di'NeiiipriMOiiner. v. a. op vrije voeten I stellen. ]

Desenratialller, v. a. aan onbehoorlijk, gemeen gezelschap onttrekken.

I>r*eiieliainer. v.a. ontketenen, ontkluisteren, uit de gevangenis verlossen.

I)r«ene lianIItemeiit, m. onttoovering, ontgoocheling, v.; —ter, v. a. lig. van eenen hevigen hartstocht genezen; ontgoochelen; se —,

v. pr. ontgoocheld woruen; — leur, iere»»e. a. onttooverend, ontgoochelend.

HcMeiielaver, v. a. ae insluiting opnenen.

DinpiK'loii alr. lil. het uittrekken van een v. n. wegloopen, van het vaandel loopen

° I . •• . _ :: I 'I <„■■■. m umrr nnnoi' nf»SPl't.r

Desengrener. v. a. het in elkander grijpen van raderwerk beletten.

Désenivrer, v. a. (pr. dézanivrer) ontnuchteren; v. n. nuchter worden.

DcHenla |cement. in. losmaking uit een strik, ontvlechting, v.; —««er, v. a. uit een strik los maken, ontvlechten.

I)é«en!aidir, v.a. minder leelijk maken; v. n. minder leelijk worden.

Désennoblir, v. a. den adeldom ontnemen.

Oesennui, m. verdrijving der verveling, tijdverdrij f.

Deseiiiitiyer, v. a. de verveling verdrijven, lustig of opgeruimd maken; se —, v. pr. zich een aangenaam tijdverdrijf verschatten, zich verlustigen.

Désenraylleinent, m. ontremming, het vrijmaken van een vastgezet rad; —er, v. a. et n. ontremmen; den rem- of spanketting van het vastgezette rad wegnemen.

I>e»enrliuiiier, v. a. de verkoudheid genezen, verdrijven; se —, v. pr. zich van de verkoudheid genezen.

Deseiiróülement, m. vrijmaking van den kriio-fidifirist. v.: —Ier. v. a. (een soldaat) van

deii dienst vrij maken, zijn' naam op de rol uitdoen; se —, v. pr. zijn afscheid of paspoort nemen (van soldaten).

Di'Beiirouer, v. a. de heeschheid verdrijven; He —, v. pr. van de heeschheid genezen.

Deseiisabler, v. a. van den grond losmaken; vlot maken (van vaartuigen).

Desenseigner, v. a. atleeren.

Öesensevellr, v. a. opgraven; de doeken van een lijk afdoen.

l>t'Meiisor||eeler, v.a. onttooveren, de betoovering opheffen; flg. van een geweldigen hartstocht bevrijden: —eelleineiit, m. onttoovering, v.

Desentèter. v. a. uit bet hoofd praten, uit den zin brengen: *e —, v.pr.zich van een vooroordeel enz. ontdoen, zich iets uit den zin zetten.

Déseiitortlller, v. a. ontwinden, los draaien, ontwarren.

Desentraver, v. a. de voetkluisters van een paard los maken.

üéseiivenlmer, v. a. het venijn wegnemen, I van venijn zuiveren.

Deseiiverguer. zie déverguer. 1 Desêqiiilihrer. v. a. het evenwicht van iets verstoren; se —, het evenwicht verliezen.

I>c*e<|iiiper, v. a. (een schip) onttakelen; de bemanning afdanken.

I>eser||t, erte, a. (lat. desertus; de dese| rere, abandonner) verlaten, woest, onbewoond; rue —te, stille, uitgestorven straat; m. woestijn, woestenij, wildernis, v.; loc. prov. prèrlier dan» i |e —, voor doove ooren preeken; —ter, v. a.

verlaten; verwoesten, tot eene woesiumj iuukcu,

UCSfl -

spijker; —er, v. a. een nagel of spijker uit¬

trekken.

Di'fteiieoin Ibremeiit. m. wegruiming van ; puin. v.; — brer, v. a. puin wegruimen.

DcNeiidorini, ie, a. ontwaakt.

Desenfller, v. a. den draad uittrekken.

Denen Her, v. a. iets dat gezwollen is doen slinken; v. n. et se —, v. pr. slinken, dunner worden; — llure, f. slinking, verdunning (van iets dat gezwollen is), v.

DeMPiifouriier, v. a. uit den oven nemen.

Ih'Hengager. v. a. losmaken; bevrijden; loskoopen (van den dienst).

DfNeiigaiiier, v. a. uit de scheede halen.

teeren; —teur, m. weglooper, aeserteui: ng. afvallige; — tlon, f. weglooping (van soldaten), desertie, v.; fig. afvalling, v.

yl>esesperade. f. fam. wanhopige daad, v.; a la —, adv. fam. als een razend, wanhopig mensch. .

Desespéiiraiice, f. wanhoop, vertwijfeling, v.; —rant. ante, a. vertwijfelend; —ré, ee. a. wanhopig, hopeloos; m. et f. wanhopige; razende: —réiiient, adv. hopeloos; onzinnig, razend: — rer, v. n. de qeli., aan iets wanhopen; v.a. iemand tot wanhoop brengen, alle hoop benemen: se —, v. pr. tit wanhoop vervallen, alle hoop verliezen.