is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—ure, f. noodlot; voorbeschikking, v.; flinir sa —, zijn leven eindigen; —lier, v. n. (rad. des tin) besluiten, voornemen; v. a. bestemmen, bepalen.

I>es(i(u iahle, a. afzetbaar; — v. ee, a. afgezet; beroofd, ontbloot: —er, v. a. (préf. des et lat. statuere, établir) afzetten, ontzetten; berooven, ontblooten; —(ion, f. afzetting, ontzetting (van een ambt enz.); berooving, ontblooting, v.

I>es(rier, m. bandstrijdpaard; strijdros.

I>es(rue||(eur. (rice, a. (lat. destructor; de d e s t r u o, je détruis) vernielend, verwoestend, te gronde richtend; m. et f. vernieler, verwoester, verdelger; — tibilitr, f. verderfelijkheid, vergankelijkheid, v.: — (ible, a. verwoe'stbaar; —til', ive, a. verwoestend, vernielend; — (ion, f. (lat. des tructio) verwoesting, vernieling, v.; lig. ondergang, m ; — (ivi(é. f. vercielzucht. v.

Désuehide (pr. <jué), f. (préf. lat. de et suetudo, coutume) het in onbruik of ongewoonte raken van eene wet enz.; verval; (omber en —, in onbruik, verval raken.

Désulful!radon, f. ontzwaveling, v.; —rer, v. a. ontzwavelen.

DesuHoire, a. van het eene onderwerp op het andere, van den hak op den tak springend; onsamenhangend.

Desu||nioii, f. oneeuigheid, verdeeldheid; scheiding, v.; —nir, v. a. scheiden; oneenig maken; se —. v. pr. los gaan; scheiden, oneenig worden.

De(ai!elieuieii(. m. losmaking, afzondering (van de aardsche dingen); losheid, onbevangenheid; afgezonden troep soldaten; detachement; —eher, v. a. (préf. dé et attacher) ontbinden, losmaken, losrukken enz.; een troep soldaten afzenden, detacheeren; — Ie» yen*, de oogen afwenden; — qn. de qeli., ïem. van iets bevrijden, van iets afbrengen; pensees —eliées, losse gedachten; —,doen uitkomen (de beelden op eene schilderij); — mie no(e, een noot afstooten: — la made, sterk achteruitslaan; — tin eoup, een slag toebrengen; we —, v. pr. zich losmaken, zich afzonderen, zich ontslaan; afgeven (van kleuren), uitrafelen (van stollen); uitkomen (van beelden op een schilderij); —, (préf. dé et tacher), van vlekken bevrijden (degraisser); — eheur, m. euse, f. vlekkenverdrijver, -verdrijfster.

Dctai I, m. (préf. dé et tai lier) verkoop bij het stuk, in.; omstandig verhaal; bijzondere omstandigheden er van, v\; en —, au —, in het klein, bij het stuk, bij de kleine maat; in bijzonderheden, in onderdeelen; dél>i(er en —, in 't klein verkoopen: eonimerce de —. kleinhandel; sans en(rer dans le —, naiis deneendre dan» le(s) — <s), zonder in bijzonderheden te treden; guerre de —, guerillaoorlog; — llan(, e. a. in het klein verkoopend; — Ilan(, m. an(e, f. kleinhandelaar, -laarster: —lier. v. a. in stukken snijden of hakken: in het klein, bij de el, bij de kleine maat of bij het stuk verkoopen; omstandig verhalen, beschrijven, oplezen; —lleur. m. handelaar, verkooper in het klein enz.

Dé(a 'lage. m. het innemen van uitgestalde goederen; opkraming, v.; —Ier. v. a. et n. inpakken, innemen, installen (van winkelgoederen); lig. fnm. zich wegpakken, opkramen; il drtala hien \i(e, hij pakto zich schielijk weg.

De(alinguer. v. a. den ankerkabel losmaken.

Dé(aper, v. a. iets, dat toegestopt is, open maken; de stop van het geschut doen.

Dé(apisser, v. a. ontdoen van de tapijten.

I>e(asser, v. n. een hoop uitcennemeu.

DéiKaxe. f. vermindering van belasting, v;ui porto; — (a\er, v. a. den prijs, de belasting, het porto verminderen.

I>é(ee(ive, m. (angl. detective) geheime politieagent, detective.

Dé(eindre, v.a. verkleuren, ontkleuren; v.n. et se —, v. pr. afgeven (van kleuren), verschieten; lig. soii earae(ére a de(ein( sur Ir tó(re. zijn karakter heeft eenigen invloed op het uwe gehad.

Dr(ellage, m. het uitspannen (van paarden):

— Ier, v. a. uitspannen (de paarden); lig. iets niet voortzetten; v. n. lig. solide worden.

De(en:|doir, m. haspelkruis van een weefgetouw; —dre. v. a. ontspannen, losmaken en afnemen; uit elkander nemen; lig. — rare.

— 1'esprH, zijn geest ontspannen, rust geven; se —. v. pr. los gaan; slap worden; fig. zich ontspannen; beter, zachter worden (van het weder); verbeteren, minder gespannen zijn (van de verhouding tusschen twee personen).

l>é(eiiir. v. a. onthouden, terug houden; gevangen houden.

De(eii!!(e, f. (rad. d étend re) trekker aan een wapen, m.; uti fusil dur a la —, een geweer dat moeilijk afgaat; fig. é(re dur a la —, gierig zijn, niet graag geven; —. veer, haak (in een uurwerk, horloge); ontspanningstoestel bij stoommachines; het lostrekken; het ontspannen; vermindering van spanning, ontspanning; —(eur, m. (riee, f. houder (van een wissel enz.); onrechtmatige bezitter, bezitster; — (ion, f. gevangenhouding, hechtenis; gevangenis; vestingstraf (van 5 tot 20 jaar); inaison de —, verbeterhuis, huis van bewaring; —, onthouding. terughouding, v.; onrechtmatig bezit van eenig goed.

I>e(enu, ue. part. passé de détenir et a. gevangen; bedlegerig.

I>é(er||g;eii(. e, a. reinigend, zuiverend; — K«»r, v. a. (lat. detergere) reinigen, zuiveren, at'wisschen.

Détério ran(. e, a. verergerend, bedervend, verderfelijk; —radon, f. verergering, bederving, v.; —rer, v. a. (lat. deterior, plus mauvais) verergeren, bederven, verslimmeren; se —rer. v. pr. slechter worden.

I>i>(eriiii nahle, a. bepaalbaar, voor omschrijving vatbaar; —nan(, an(e, a. bepalend; beslissend; —nadC. ive, a. nader bepalend; — iia(ioii. f. besluit; bepaling; vastberadenheid, v.; — né, ée, part. et a. beslist, besloten, bepiald; dapper, stoutmoedig, onverschrokken; —né, m. boos, vermetel mensch, dolleman, waaghals; — néinen(, adv. op eene stellige wijze; vastbesloten: stoutmoedig, met onverschrokkenheid; — ner, v. a. (lat. determ inare: du préf. de et terminus, terme) bepalen, vaststellen; beslissen: doen besluiten; v. n. besluiten; se —, v. pr. a qeli., tot iets besluiten: —nisnie, m. determinisme (zeker wijsgeerig stelsel); —nis(e, m. aanhanger of verdediger van het determinisme.

IK'(er rer, v.a. uitgraven, opdelven, oploopen; fig. ontdekken, uitvinden; —re, e, opgegraven; fig. avoir l'air d un —ré, er uitzien als een lijk; — reur, rn. opgraver van lijken; opzoeker. opspoorder van curiositeiten.

I>c(ersir, ive, a. (de detersus, part. pas^é