is toegevoegd aan uw favorieten.

Nouveau dictionnaire

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— d'equitation, rijschool; — de natation,

zwemschool; — gratuite, — de eharitê, armenschool; fig. renvoyer qn. n I-, iem. zijne domheid onder 't oog "brengen; il en tiendrait —, hij kent dat door en door; cela »ent I'—, dat riekt naar de school; il Ment 1'—, hij is stijf en links; prendre Ie rliemin de 1*—, den (angsten weg nemen, volgen; faire I'— bui»Montiière, fam. stilletjes de school verzuimen, dire Ie» «ecret» de I"—. fam. uit de school klappen; eet arti»te fait —, deze kunstenaar sticht eene school, heeft vele leerlingen, navolgers; —, (in het trictrac-spel) punten, die men vergeten heeft op te teekenen of die men te veel heeft opgeteekend; fig. faire mie —, een bok schieten; —lier, m. iere, f. scholier; schoolknaap, schoolmeisje; prendre Ie rliemin des —lier*, den langsten weg nemen; eoinmettre une faute d'—. een dommen streek begaan; de» manieren —iére», schooljongensmanieren; papier —lier, schriftenpapier.

Keonduire, v. a. (préf. é et conduire) iem. wegzenden, op beleefde manier de deur wijzen.

Kcoiio||inat, m. huisbeheerdersambt; bewind van een huishouder; —me, a. spaarzaam, zuinig, economisch; m. et. f. (gr. oikonomos; de oikia, maison; nomos, régie) huishouder, huisbezorger: huishoudster, huisbezorgster. v.; economist; —mie, f. (rad. économe) huishouding, huisbezorging; spaarzaamheid, zuinigheid, economie, v.; fig. de geregelde gang, de verrichtingen van 't menschel ijk lichaam; — politique, staathuishoudkunde; — rurale, landhuishoudkunde; —», spaarpenningen; faire de» —», sparen; — uiique, a. huishoudend, huiselijk; bezuinigend, spaarzaam; staathuishoudkundig; fourneau —, spaarkachel; fuurneaux — ». volksgaarkeukens; »uupe —, soep voor de armen; —miauement, adv. op eene spaarzame wijze; —ini»er, v. a. met spaarzaamheid behandelen, besturen; sparen; — ini»te, in. staathuishoudkundige.

Kcoli pe, f. gieter, m.; hoosvat (e»cope, »a»»e);

— per, v. a. uithoozen.

Keoperclie, f. kraanbalk, stutbalk, hefboom, m.

Krnrügage. crorll reuient, m. het schillen, ontdoen van de schors; —ce. f. (lat. cortex, co r tic is) bast, m. schors (van boomen); schil (van vruchten enz.), v.; — du Pérou, — de» ie»uite», — de quina, echte kinabast: prov. il ne faut pa» juger du bui» (de l'arbre) par I'—, men móet niet naar den uitwendigen schijn oordeelen; entre l'arbre et I'— il ne faut pa» mettre Ie doigt, men moet zich niet mengen in familiegeschillen, in een geschil tusschen man en vrouw; —eer. v. a. den bast of de schors afdoen, schillen.

Keorjlehant, ante. a. oorverscheurend; moeilijk uit te spreken; —ché, m. gedaante van een mensch of dier, zonder huid of vel, spierfiguur, v. (tot studie voor schilders en beeldhouwers); —ché, m. ou —chée, f. gestreepte kegelschelp, v.; » — elie-cul, adv. fam. op het achterste kruipend; fig. tres bas, met tegenzin, ongenoegen of verdriet; — cheineiit, m. het villen; — clier, v. a. (lat. excorticare, enlever l'écorce, enlever la peau) het vel afstroopen, villen; beschadigen; fig. villen, afzetten; — la gorge, Ie palai», scherp in de keel, op de tong zijn: een wrangen, onaangenamer! smaak hebben; fig. — Ie» oreille». de noren

verscheuren, kwetsen, in de ooren krassen; fig. — une langue. eene taal slecht spreken, radbraken; votre lióte vou» a écorclté, uw waard heeft u afgezet; »'—, v. pr. zich het vel openhalen, zich kwetsen; zich een blikaars rijden; »'— a force d'ctre eoucbé, zich dooiliggen; — clierie, f. villerij, vilplaats, v.; lig. afzetterij, v.; plaats, waar men wordt afgezet, v.; — clieur, m. eu»e. f. viller; fig. afzetter: —cliure, f. ophalen van het vel, schram, v.; blikaars, m.; blikgat (van het te paard rijden).

Érorcier, m. pakhuis, waar men schors bewaart; runschuur, v.

Éeore, zie accore.

Kcor nei . v. a. de hoornen, de hoeken afbreken ; beschadigen; fig. afbreuk doen, nadeel toebrengen; — un livre, de hoeken van een boek beschadigen; — »a fortuiie, een gedeelte van zijn vermogen verteren; — se» revenu», zijn kapitaal aanspreken; — neur, m. spotter, beleediger.

Ficorni fler. v. a. fam. schuim loopen. op de klap loopen; — flerie, f. panlikkerij, klaplooperij, v.; —fleur, m. eu»e, f. fairi. tafelschuimer, tafelschuimster.

Écornure, f. afgestooten stuk van den hoek van een steen, een meubel enz.

Kro»»ai». e, a. Schotsch; m. et f. Schot, Schotsche; —e, f. Schotsche dans, m. wals, v.: douche, afwisselend koud en warm.

Keo»i'»er, v. a. (peulvruchten enz.) doppen, pellen; — »eur, m. eu»e, f. dopper, dopster.

Krot, m. gelag; besloten gezelschap; dischof tafelgezelschap; paver »on —, zijn gelag, aandeel betalen; fig. il a blen paye »on —. hij heeft het zijne rijkelijk bijgedragen om 't gezelschap te vermaken; parlex a votre —,spreek tot uw soort, bemoei u; niet met eens anders zaken; —, boomtronk; leibrok; halsvan 't zeil.

Kcó|| tage, m. het gladtrekken van 't ijzerdraad: het zuiveren der tabaksbladeren van de stengel.®; —ter, v. a. ijzerdraad gladtrekken; tabak van stelen zuiveren; —teur, m. man, die ijzerdraad gladtrekt, die tabak van stengels zuivert.

Kcou'ane. —enne, f. groote raspvijl, v.; —aner, v. afraspen, afvijlen (de munten); —anette, f. kleine raspvijl, v.

Kcouer, v. a. den staart afsnijden.

Kcoufle, m. kiekendief (zekere roofvogel», m.; vlieger, m.

Kcoii :leinent, m. afwatering; uitwatering, uitvloeiing, v.; — de la foule, het uiteengaan der volksmenigte; —, debiet, aftrek der waren; —Ier, v. n. faire —, lal»»er —, doen of laten afloopen; , v. pr. afvlieten, afloopen; fig. voorbij gaan, verloopen (van den tijd sprekend»; wegsluipen, zachtjes verdwijnen; aftrek hebben (van koopwaren); l'argent s'éroule, het geltl verdwijnt ongemerkt.

Keoupée, f. bezem, zwabber, m.

Kcourgee, f. zware zweep, v., knoet, m.

Kcourgeon, m. zomergerst, vroege gerst, v.

Krourter, v. a. korten, afsnijden; den staart (en de ooren) afsnijden; lig. verkorten, besnoeien.

lifouütant. ante. a. luisterend, toehoorend —te, f. schoot, m.; (touw, waarmede men de de zeilen gespannen houdt); —te, f. plaats, van