Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kgrullgeoir, m. vijzel, m.; pietwerktuig; rasp v.; — ger, v. a. klein stooten, stampen, raspen; —genre, f. hetgeen aan stukken gestooten, vergruisd is.

Kgneulllé, ée, a. met afgestooten tuit; m. tam. vuilbek, vuilpraat, m.; -lement, m. het bederven van den kanonmond, v.; het afbreken, «,mn r\a ftiit» 1<»p v. fi. den hals

aiSUU<Jl«r-!l »aii -

cener flesch enz. breken; s —. v. pr. de tuit 01 den hals verliezen; aan den mond bedorven worden (van geschut); a (forrj- de)

rrier. pop. zich overschreeuwen, zich heesen schreeuwen.

ligyptirn. m. enne, f. Egyptenaar, Egyptische; heiden, landlooper; heidin, landloopster; -tien, ieniie. a. Egyptisch; — tologie, f. kennis, studie, v. der Egyptische oudheden; — tnlogue, m. kenner der Egyptische taal en oudheden, lïh. int. ach! och!

lilmnrhc, zie Délianchè.

Kherber, v. a. wieden; beter: ftarcler. Klionte, ée, a. schaamteloos.

Khonner. v. a. een boom toppen.

Kider. 111. (pr. cder) eidergans, v.; — ii tète grise, koningseider.

I'.iarnllnteur, Iriee, a. uitspuitend (van vochten uit aderen en vaten); — Intimi, i. uitspuiting, v.; kort en vurig gebed tot God: — laloire. a. uitspuitend; priêre —, schietgebed: —Ier. v. a. uitspuiten.

r.|ninber, v. a. strippen, de dikke stelen van'de tabak afzonderen.

I.jiirrer. v. a. van het grove haar ontdoen (een huid).

Kjection, f. uitwerping, uitdrijving; pi. uitwerpselen.

yl',|ouir, s'—, v. pr. zich verheugen (réjouir).

r.lnlio ratiiin. f. verwerking, nauwkeurige bewerking, v.; —rei", v. a. (lat. elaborare; du prét. e et laborare, travailler) verwerken, met zorg bewerken; v. pr. bewerkt,bereid worden (van bloed, gal enz.).

in Hnnninc. uitneming van het

overtollige, v.; — *ner, v. a. een boom wat afsnoeien; lig. bekorten; -gneur. m. uitnemer, snoeier; snoeimes.

Klnïne, üléine, f. oliestof, v.

Klaiser, v. a. een muntstuk recht kloppen.

Klan, m. eland (zeker hert), m.

Klan, m. sprong, schok, aanloop, m.; lig. pi. zucht, v,; trek (of beweging des harten), m.; prendre son —, een aanloop nemen: <les ver» san» —, verzen zonder gloed; uil — d'amour, eene opwelling van liefde.

iilaniieê, ée, a. slank, dun van lijf, lang en schraal; —cement, m. voorwaartsche beweging, v.; stekende pijn in een lid van het lichaam, v.; —s de IVime ver» Dieu, opvoering der ziel tot God; -eer, v. n. steken (van pijn sprekende); v. a. snel en krachtig voortstóoten; »*-, v. pr. toeschieten, aanvallen, bespriugen; zich ophetren, snel opspringen; omhoog schieten (van boomen).

I.lar gir. v. a. verwijden, wijder, breeder maken; uitbreiden; op' vrije voeten stellen:

Y, n. et »'—, v. pr. wijder, breeaer woraen

zich uitbreiden; het ruime sop kiezen ; -gissement, m. verwijding, verbreeding; uitbreiding, v.; ontslag; —gissure, f. aangezet stuk om iets wijder te maken.

Klasti||cité, f. uitzetting, veerkracht, v.; -que, a. (gr. elastês, qui pousse) veerkrachtig, elastiek; uitzetbaar; lig. une eonscience —, een ruim geweten; sommier —. springveeren matras; gomme —, gomelastiek; m. springveer, spiraalveer, v.; elastieke gom, v.;

pi. Kousenoanuen enz. van i»**,

v. a. als elastiek uitrekken.

Klatéürie, f. (grec. elatêr, qui meut) springvrucht, v.; —rine, f. sap der vruchten van den ezelskomkommer; — rium, m. wilde ezelskomkommer, m.

Klatéromètre, m. spankrachtsmeter, luchtverdichtingsmeter, m.

KI beu f, m. laken uit Elbeuf. .

Eldorado, m. (esp. el, le; dorado, don1) fabelachtig land van weelde en overvloed in Z.-Amerika; goudland.

Kléatique, a. école —, Eleatische school, v.

(oud-Gnekscne wijsgeenge secie».

Klecllteur. m. trice, f. (lat. eiector, qui

choisit) keurvorst, keurvorstin; kiezer,kiezeres;

—tif, ive, a. door keuze gescmeaenu, uuui vukiezing aangesteld; afttnitc -tive,keurverwantschap; — tion, f. (lat. electio; de eligere, choisir) keus, verkiezing, v.; het uitverkoren zijn; —tivité, f. verkiesbaarheid, v.; —torabilite, t. het recht van te kiezen; —toral, ale, a. het kiesrecht betreffend, keurvorstelijk; college —, kiesvereeniging; —torat, m. waardigheid van een keurvorst, v.; keurvorstendom.

Klectri Heien, m. iemand, die de electriciteit bestudeert, electro-technicus; —cité, f. electriciteit, v.; —que, a. electrisch; — sabie, a. electriseerbaar, voor electriseering vatbaar; —sant, ante, a. electriseerend; — sation, f. electriseering, v.; —ser, v. a. electriciteit opwekken of mededeelen, electriseeren; lig. in vuur en vlam brengen; -Beur, m. electriseerder.

Kleetro!|-aimant, m. electro-magneet, m.; —cliiniie, f. scheikundig stelsel, «lat op de wetten der electriciteit berust; —ehimique. a. hetgeen tot bovenstaand stelsel behoort; —euter, v. a. door electriciteit dooden; —de, f (srr. Otlos. route) ieder der beide in eone

vloeistof gedompelde poolvlakken; —dyna-

mique, f. leer van fle werkingen aer elektrische stroomen op elkander, v.; — lyse, f. i ontleding dooi electrische stroomen, v.: —magnétisme, m. leer van de wederzijdsche inwerking van de electriciteit en *t magnetisme op elkander, v.; — métre. m. (gr. metron, mesure) electriciteit-meter, electro-meter, m.; — moteur, triee, a. electriciteit opwekkend; —moteur. m. electriciteitsopwekker, m.; —négatif, Ive, a. ' wat zich naar de positieve pool (zinkpool) van de Voltasche kolom richt; — pliore, m. (gr. phoros, qui porte) electriciteits-drager, electrophoor, m.; —-positif, ive, a. wat zich naai de negatieve pool (koperpool) van de Voltasche kolom richt; -scope, m. (gr. skopeo, j examine) werktuig om de soort van electriciteit ' in een lichaam te bepalen; —tliérapeutique, a op de geneeswijze door electriciteit betreki king hebbend; -tliérapie, f. het genezen door electriciteit.

Sluiten