Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zon schijnt te staan; gedeeltelijke verrekking, v.; — ger. v. a. langs eene kust varen; met de sloep langs de zijde van bet schip liggen (longer); touwwerk in lange bochten schieten of uitrekken.

Élo'lqueinment, adv. welsprekend, op welsprekende wijze; — quenee, f. (lat. eloquentia; deeloqui, s'exprimer) welsprekendheid, v.; de letterkunde in proza; — quent. ente. a. welsprekend.

Elu, ue, part. passé de êlire, gekozen, uitgekozen; m. uitverkorene; gekozene.

Elueijldatioii. f. verklaring, opheldering, v.; —der, v. a. (lat. elucidare; de lucidus. clair) ophelderen, verklaren.

rilurul bratioii, f. nachtwerk; nachtelijke geestesarbeid, m.; nachtstudie, blokkerij , v.: — brer, v. a. bij lamp- en kaarslicht maken: met veel vlijt en nachtwaken opstellen.

Eluijdable, a. ontwijkbaar, ontduikbaar; —der, v. a. verijdelen, vruchteloos maken; listig ontwijken; —deur, m. euse, f. ontwijker, ontduiker; ontwijkster. ontduikster (van vragen enz.).

Eludorioue. u. peinlure —, oliewaterschilderwerk.

Elusir, Ive, a. verijdelend; ontwijkend.

l-ilyine. m. haargras.

^Elyljsée, m. Elysium (de hemel der Ouden): riiamps —s. eene geliefkoosde wandelplaats in Parijs; — Neen, enne, a. tot het Elysium Itehoorend.

Elytre, m. vleugeldeksel; bovenvleugel, m. (der insecten).

Elzéüvir, m. uitgave, v.; druk, m. van Elzevier «beroemd Amsterdamsch drukker uit de 17de ♦•euw); — virien, ienne, a. door de Elzeviers uitgegeven; Elzevierformaat.

Erna Ijeiat ion, f. (lat. emaciare, amaigrir) vermagering, v.; —rié, ée, a. vermagerd, uitgemergeld.

lïmnil. in. brandverf, v.; brandschilderwerk, glazuur; einaux. ouvrages d*—, geëmailleerde voorwerpen; I'— de» dentn, het glazuursel deitanden; het blinkend wit der tanden; I'— den pre», des chanips, de veelkleurigheid, de bonte kleurenrijkdom der weiden; éuiaux, de kleuren en metalen (op 't wapenschild).

Email i| Ier, v. a. brandschilderen; emailleeren; fig. opsieren, bont kleuren; —lerie, f. •'mailleerkunst, v.; —leur, m. brandverfschilder: —lure, f. brand verfschilderwerk.

litnalieer, v. a. boos, nijdig maken.

Emanation, f. uitvloeiing, v.

Emaiici patent, Irlre, a. bevrijdend; —pafion, f. vrijstelling, vrijmaking, v.; I'— den enclaves, ae vrijmaking der slaven; I*— des l'emuies, de gelijkstelling der vrouwen met de mannen: —per, v.a. (Int. emancipare; de e, de, et mancipare, vendre par le mode de la mancipation) mondig verklaren, van de voogdij ontslaan; vrijmaken; gelijke rechten

«even; m —, v. pr. ng. zien vrijmaken; ziet. vermeten, zich te buiten gaan.

Emaner, v. n. (lat. e man are; de e, de, et . man are, couler) uitvloeien, voortkomen. Emarllgement, m, kantteekening, aanteeke- |

ning, handteekening op den rand, v.; uittrekking eener geldsom (op den rand); het afsnijden van den rand; —ger, v. a. (rad. marge) op den rand teekenen, op den rand van een betaalsrol zijne handteekening zetten; geld uit de staatskas trekken, ambtenaar zijn; den rand afsnijden, verkleinen.

Etnasjeulation. f. ontmanning, v.; —euler.

v. a. onimannen.

Emau x, m. pl. zie émail.

Embaboiiiiier, v. a. fam. met zoete woorden bedriegen, om den tuin leiden.

EmbAcle, m. dam (van ijsschotsen) in eene rivier, m.

Emballage. m. het pakken, inpakken; toile d'—, paklinnen; (Train d*>—, pakgeld; — lenient. m. drift, v.: vurige, plotselinge liefde, v.; —Ier, I v. a. pakken, inpakken; — qn., iem. in een rijtuig stoppen; iem. inrekenen, oppakken; —Ié, e, a. ingepakt, bedrogen; s* —Ier. v. pr. op hol slaan (v. paarden); zich warm inpakken; in een rijtuig stappen: Hg. zich door drift, hartstocht laten vervoeren; dol met iets dwepen; — leur, m. pakker; zwetser, windbuil; bedrieger; (arg.) politieagent.

Embander. v. a. omzwachtelen, in luren wikkelen (eminailloter).

Eiiibanqiier, v. n. et s'—, v. pr. op de banken aankomen (om te visschen).

Embarbe. f. dwarsdraad ter aanbidding der scheerkoordjes bij 't weven, m.

Kinhar hc, ée, a. gebaard; —ber, v. a. — uil pont, onder een brug doorvaren; , v.pr. een baard krijgen.

Embarbo(t)ter, <»'), v. pr. in zijn eigen woorden verward raken.

Embarbouiller, v. a. besmeren, vuil maken; fi£. van de wijs brengen, verlegen maken (zie débarbouiller).

Embarea|jdére, m. (esp. em ba reader»»; de embarcar, embarque) steiger, m. hoofd: aanlegplaats; station, perron (zie débareadère): hellende muur (naar een vijver), m.; — tion. f. klein vaartuig.

I'iinbar 'dée, f. giering, been- en wederslingering van een voor anker liggend schip; —der, v. a. uitwijken; v. n. gieren, slingeren. ^ Embargo, m. beslag op schepen; iiiettre I*— sur un navire, beslag leggen op een schip; —, havenversperring, v.

Enibaril lage, m. het pakken in vaten, fust: —Ié. ée, a. in vaten ingepakt, ingekuipt; —Ier. v. a. in vaten pakken.

Einbar Iqueuieiit. m. inscheping, v.; — quer, v. a. inschepen; — un eoup de nier, eene stortzee inkrijgen; la rlialoupe embarquait, de sloep was aan stortzeeën blootgesteld; la nier embarque, de zee slaat over boord; —, fig. in eene zaak wikkelen; s*—, v. pr. zich inschepen; fig. »*— dans. zich inlaten: fig. s*— Man* hieruit, sans boiiMSole. het noodzakelijkste bij eene onderneming verzuimen; —, instappen (om op reis te gaan); prov. qui w'est embnrqué, doit aehever, wie A gezegd heeft, moet ook B zeggen.

Embar ra», m. belemmering, versferring, v.; — de vojtures, opstopping van rijtuigen; eauser de V— a qn.. iem. overlast aandoen; iem. ongelegen komen; re n'est pas I'—, dat hindert niet, dat maakt niets uit; faire de F-, faire des —, faire nes —, gewichtig doen; —, geldverlegenheid; — de la langue,

Sluiten