Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huiotjitage, in. het eggen, kluiten breken; -ter. v. a. de aardkluiten aan stukken slaan, ; eggen; —teur. m. egger, m.; rol om kluiten ie breken, v.; —toir, m. kluitenbreker, m. Kmou, m. emoe, Australische casuaris, m. Kmou Iclier, v. a. de vliegen verjagen; van den knop ontdoen en scherpen (een degen);

— chef, m. mannetje van den sperwer; —elieIer. v. a. de punten van een scherp werktuig afbreken; — ehette, f. vliegennet (voor de paarden); — eheur, m. vliegenvanger, vliegenverdrijver, m.; — cholr, m. vliegenwaaier, vlieden verdrijver, m.

Kmouüdre, v. a. slijpen, wetten, polijsten; —leur, m. slijper (van messen, scharen enz.); —In, ue, part. passé de émoudre et a. geslepen; scherp; armen* — lues. scherpe wapenen (in tegenst. met arme» courtoiseB); l'raiw

— lu, kersversch.

Kiiioun li sage, 111. liet zuiveren van mos;

— Hement. m. het stomp, bot maken: —ser. i«le mousse, a.) v. a. stomp maken; lig. verzwakken, verstompen; <de mousse, subst. f.) van mos zuiveren; s'—, v. pr. stomp worden: ,

— «oir, m. moskrabber, m.

KmouBtlller, v. a. fam. opvroolijken, ver-

levendigen.

Krnou|ivant, ante, a. aangrijpend, roerend; -voir, v. a. (lat. emovere) bewegen, opwekken; aandoen, ontstellen; b*—, v. pr. zich laten , bewegen; bewogen, aangedaan worden; oproerig ; worden, aan het muiten slaan.

Empailillage, ou — lement, m. het opvullen ; met stroo; —Ier, v. a. met stroo dekken of omwinden, in stroo winden of pakken; stoelen matten; dieren opzetten; fig. il ent a —, hij is aartsdom; —leur, m. euse, f. stoelenmatter; stoelenmatster: opzetter, opzetster van dieren. * Empaü lement, m. spietsing (straf bij de Turken), v.; waterkeering, v.; sluisdeur, v.; —Ier, v. a. spietsen.

Empan, m. span, v. (22 cM.) (ruimte tusschen uitgespannen duim en pink): vadem (ruimte tusschen de uitgespannen armen).

Eiiipanaclier, v. a. met een vederbos versieren.

Kinpaiiner. v.a.et n. tegenbrassen, bijdraaien. Ktnpaii(n)oii, m. karbeel, staander, uitstekende balk, m.; zadelhout.

Kuipaque||tage, m. het inpakken; —ter, v. a. inpakken; »*—, v. pr. zich dicht inwikkelen.

Emparadtaer, v. a. in het paradijs, in een lustoord, in verrukking brengen.

Kinpa l| rement, m. bemachtiging, verovering, v.; s'—rer, v. pr. (de qeli.) zich van iets meester maken, iets bemachtigen.

Kmpasme, m. welriekend poeder. Empasteler, v. a. de stoffen blauwverven. EuipA Utemeiit, m. kleverigheid, deegachtigheid, v.; slijmerigheid, v.; kleverige pap, v; het overstrijken met verven; —ter, v. a. pappig, kleverig mak,en; met pap stoppen; gevogelte vetmesten; meermalen met verf overstrijken; elieval einpAtc, plomp gebouwd paard; voix empAtée, onzuivere stem,v.; menton empate, onderkin, v.; —teur, m. vetmester van gevogelte.

Km pat i| tement. m. grondmuur, muurvoet, m.; grondbalk, 111.; —ter, v.a. van onderen steunen; vastmaken; de spaken in 'tradzetten; —ture, f. aaneenvoeging van twee stukken hout, v.

Kuipau uier, v. a. — la balie, den bal met

ie vlakke hand of met het raket opvangen en wegslaan; fig. — la balie, de gelegenheid aangrijpen; — une affaire, eene zaak llink aanvatten; — qn . iem. aan zijn leiband laten loopen;s'—, zich laten foppen, bepraten; -miire. f. binnenst gedeelte van een handschoen; kroon der horens van een hert, v.

Etiipeau, m. griffel in de schors, v.; entrijs. Kiiipèrhe, ée, part. et a. verhinderd, belet; verlegen; met bezigheden overladen; onklaar; verward (van touwen); — ebement, m. beletsel, hindernis, verhindering, v.; —elier, v. a. (lat. impedicare, embarrasser) beletten, hinderen, verhinderen: s' —, v. pr. (de qeli.) zich van iets onthouden; je ne pui» in'en —, ik kan liet niet nalaten.

KuipeiKiie,. f. bovenleer (van schoenen). Empellement, m. sluisdeurtje.

Empeloter, v. a. tot kluwen maken: » —, v. pr. zich tot een kluwen ophoopen, samenrollen.

Empèner, v. a. een slot van een schoot voorzien.

Empeiuiel |er. v. a. liet anker katten, er een katankertje op zetten; —le, f. kat,v.(klein

Kuipen <ner, v.a. (lat. penna, plume) een pijl van veeren voorzien; — neu. f. pl. veeren aan een pijl, v.

Empenoir, m. kromme slotenmakers beitel, m. Empereur, m. (lat imperator, de imperare, commander) keizer.

Einperruqué, ée, a. gepruikt.

Einpeüaage, m. het stijven van linnen; — *«», ee, part. et a. gesteven: fig. stijf, gedwongen: —«er, v. a. (rad. empois) linnen stijven, de zeilen nat maken of begieten: — Beur, m.eu»e, f. stijver, stijfster.

EuipeBter, v. a. verpesten, besmetten, vergiftigen.

Euipètrer, v. a. de voeten binden (van een beest, dat men in de weide doet); avoir 1'air empètré, er verlegen uitzien; lig. — qn. dan* qeli., iemand ergens in wikkelen; s'—, v. pr. i zicli verwarren, zich inwikkelen.

Einplia 'se, f. (gr. emphasis; de en, dans, i et phaino, j'apparais) nadruk, m. gezwoUen; heid, v. (in het spreken); -tique, a. krachtig. ! nadrukkelijk; -tiquement. adv. met nadruk. Kiiiphractiqiie, a. verstoppend.

Einpliy |l sémateux, euse, a. windgezwelachtig; —Bèine, (pr. zè), m. windgezwel.

Empliy Utéose, f. erfleen; erfpacht, v.; —teote, m. ét f. die een erfleen of eene erfpacht onder zich heeft; —téotique, a. erfpachtelijk.

Empiéllgé, ée, a. verstrikt, in een strik gevangen; —ger, v. a. in een strik vangen. Einpierli rement. m. laag steenen tot steun ! van een weg, v.; —rer, v.a. eene steenlaag geven. Einpii étê. ée, a. overweldigd, onrechtvaardig bemachtigd; — éteinent, m. onrechtmatige toeëigening, v., inbreuk op ...; —éter, v. a. et n. (rad. pied) zich iets toeëigenen; — sur qch., inbreuk maken op iets; op eene onrechtvaardige wiize naar zich toehalen.

Kinpiflïer, v. a. fain. met eten vol stoppen, vet mesten; b*—, v. pr. zich vet mesten; dik en vet worden.

Empi || lement. m. opstapeling van kogels, v : — Ier, v. a. op hoopen leggen, stapelen; (kogels) opstapelen; —leur. m. stapelaar. ' -j-Empiraiiee, m. vervalsching van geld; | beschadiging van waren, v.

ken; aandoen, ontstellen; b"—, v. pr. zich laten ! rare, commander) keizer.

bewegen; bewogen, aangedaan worden; oproerig |

; empètré, er verlegen uitzien; fig. — qn. dan*

Empan, ml span, v. (22 cM.) (ruimte tusschen i qch., iemand ergens in wikkelen; s'-

uitgespannen duim en pink): vauem (ruinue ziuu verwanen, «u»

jaillicu ai uioii;. i : 7. 'J ■ . * j > „...„l i„..

Kinpnnachrr, v. a. met een vederbos ver- et pnain.., japparaisj uk, .... 8c,.„w,ci,-rpn Heid, v. (in het spreken); -li«|Ue, a. krachtig,

Sluiten