Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

K<nt< major, m. staf, m.; 1'— général, de

generale staf.

Ktatfi-génêraux, m. plur. Staten-Generaal (van de Zeven Gewesten); vergadering der drie standen (adel, geestelijkheid en volk).

I'itau, m. bankschroef, v.; — a main, handschroef; — de boucher, vleeschbank, v.; ètre prin (»erré) rommr dan» 1111 —, in de benauwdheid zitten, vastzitten; avoir Ie ewur dan» mi — < een beklemd hart hebben. I'itaupiiier, v. a. de molshoopen gelijk maken. Mallyage, Ftallyement, m. stutting, schoring, v.; — yer, v. a. onderschragen, onderstutten, schoren.

Kt ('n»tera (pr. èt-eé-té-ra), mot lat. qui signif. et les au tres c hos es) en zoo voorts.

Kté, m. (lat. je at as) zomer, m.; Me mettre pii zijn zoniergoed aantrekken; — de la Saint-Martin, - de la Saint-Deni», nazomer; —, de tweede tiguur van de quadrille.

Kteigllneur, m. uitdoover; —noir, m. dompertje (waarmede men eene kaars enz. uitdoet); soort paddenstoel.

Hteinildre, T.a.(lat. extinguere)blusschen, uitdooven; dempen, stillen, smoren; tig. bedwingen, beteugelen,verdooven(van driften); afdoen, delgen (eene schuld); — une dette, eene schuld delgen; — uue pension, een jaargeld door een som gelds in eens afkoopen; »"—, v. pr. uitgebluscht worden, uitgaan; lig. uitsterven, sterven: vernietigd worden; — t, —te, part. et a. uitgebluscht, uitgedoofd; vernietigd; dof, zwak, toonloos; afgedaan.

I'itelon, m. vlak of plaats, waarop men een gebouw afteekent.

IJeiidago, m. drooglijnen, drooglatten, v. Ktendard, m. (lat. extendere, déployer) standaard, m.; ruitervaan; vlag eener galei, v.; pl. lig. partij, zijde, v.: arborer I'—, den standaard planten; lever P- de la rébellion, de vaan des oproers planten.

Kten||delle, f. plaats waar de zeemvellen worden uitgespreid, v.; —derie, f. zie êtendage. —deur, m. platter, strijker (werkman in glasblazerijen); uitstrekkende spier, v.: —dolr. m. kruk, kruis, ferlet (kruishout, waarmede de drukkers de natte afgedrukte bladen ophangen); droogstang, v. (voor't linnen); —dre, v. a. (lat. extendere) uitbreiden, uitspreiden; uitrekken, uitspannen; verlengen; strijken; strekken, uitstrekken, verwijden, vergrooten; — du vin, wijn verdunnen; »*—, v. pr. zich uitbreiden, zich uitstrekken; fig. «ur qcl»., over iets uitweiden; —du, e, part. et a. uitgestrekt, uitgebreid; verdund, aangelengd; —due, f. uitgebreidheid, uitgestrektheid, wijdte, grootte, streek, v.; omvang, m.; tijdperk.; fig. uitgestrektheid, vatbaarheid, v.

I iteiite, f. groot net bij laag water gespannen, literI!nel, elle, a. (lat. rcternalis) eeuwig, eindeloos; altijddurend, onophoudelijk (poét.); Ie. Noinmeil —, de eeuwige slaap (de dood): IT<ternel. de Eeuwige (God); — nelle, f. witte stroobloem, witte papierbloem, immortel, v.; — iiellenient, adv. eeuwig.

Interuil!(*er, v. a. vereeuwigen; fam. h'— quelque part, ergens zeer lang blijven; —té, f. (lat. seternitas) eeuwigheid,onsterfelijkheid,

v.; zeer lange tijd; de toute —, sinds onheuglijke tijden.

Kternue, f. witte reinvaren, v.

Kternu ||einent, Kternüment, m. het niezen; —er, v. a. (lat. sternutare) niezen; — eur, m. euwe, f. niezer, niesster.

KtéaieiiM, m. pl. veilt» —, ou —, geregelde Noordenwinden op de Middell. zee, m,

Ktélltement, m. het afhouwen der kruinen of toppen van boomen; —ter, v. a. toppen (een boom); de kruin of den top afhouwen.

Hteuf, m. kleine kaatsbal, vangbal, m.; lig. renvoyer I"—, den bal terugkaatsen, het antwoord *niet schuldig blijven.

Kteule, Ksteuhle, Kteuble, f. stoppel, m. Kt her, (pr. ér), m. (gr. aithèr, air pur) icther (de fijne, lichte bovenlucht); sether (zeer lichte, 'vluchtige voeistotTen, door destillatie van alcohol met sterke zuren ontstaan).

I'ithél|ré, ' ée, a. «etherisch; fig. hemelsei» verheven; va peur» —réén, sctherdampen» —rifler, v. a. in sether veranderen; —riaatlon, f. verbinding mot, bedwelming door sethor; —ri»er, v. a. met sether verbinden, doorsether bedwelmen; — ri»ine, m. bedwelming door sether, v.

Fithiollpien. ienne, a. Kthiopisch, van of uit .Kthiopiü; —piqué, a. .Ethiopisch.

Ktliiop», — minéral, m. mineraal zwart; zwart zwavelkwikzilver.

Fthique, a. zedelijk, ethisch; — ,f.(gr. ethikos, moral) zedenleer, v.

Kthinoïlldal. ale, a. tot het zeefbeen behoorend; —de, m. (gr. èthmos, crible; ei dos, aspect) zeefbeen.

Kthnarllrhie, f. (in vroegere tijden) land, waarin een ethnarch of stsidhouder regeerde; —que, m. Homeinsche stsidhouder, ethnarch.

Ktliiiique, a. heidensch, afgodisch; volks..., op het volk, het ras betrekking hebbend.

I- tlinollKiaplie, m. volkenbeschrijver; -nrnplile, f. (gr. ethnos, nation; grapho, je décris) volkenbeschrijving, v.; —graphique, a. de volkenbeschrijving betrefTend; —logie, f. (gr. ethnos, nation; logos, discours) volkenkunde, v.; —logique, a. de volkenkunde betrelTend; —logde, m. schrijver over de volkenkunde.

Ktltologie,f. (grec ethos, moeurs, et logos, discours) verhandeling over de zeden en gebruiken, v.

Kthopée, f. (grec ethos, moeurs, et poiein, faire) levendige beschrijving vuu zedeu of karakter.

F'thuae, f. dolkruid.

Fitiage. m. laagste waterstand van eene rivier enz., m.

Ftihoi», Fitiheau, m. aanbeeld der draadtrekkers en spelden makers.

Htier, m. gracht, kanaal van zee naar de zoutpannen.

i:tinre|lant, ante, a. schitterend, glinsterend, flikkerend, flonkerend; —Ié, a. met vonken bezaaid; —Ier, v. n. (rsul. étincelle) schitteren, glinsteren, fonkelen; —lette, f. vonkje; —He, t. , (lat. scintilla) vonk, sprenkel, v.; — lleinent, , m. fonkeling, v.

Sluiten